2.1 Kerngegevens
| 2022 | 2021 | 2020 | 2019 | 2018 | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Aantal Deelnemers | |||||||||
| Actieven en arbeidsongeschikten | 546 | 506 | 496 | 505 | 520 | ||||
| Gewezen deelnemers | 534 | 511 | 487 | 465 | 426 | ||||
| Pensioengerechtigden | 113 | 111 | 102 | 92 | 84 | ||||
| Totaal | 1.193 | 1.128 | 1.085 | 1.062 | 1.030 | ||||
| Dekkingsgraad | |||||||||
| Beleidsdekkingsgraad | 119,1% | 114,2% | 101,4% | 109,7% | 116,4% | ||||
| Feitelijke dekkingsgraad | 115,0% | 118,7% | 106,4% | 110,1% | 113,2% | ||||
| Minimaal vereiste dekkingsgraad | 104,2% | 104,2% | 104,2% | 104,2% | 104,3% | ||||
| Vereiste dekkingsgraad | 114,8% | 114,3% | 113,9% | 114,9% | 115,2% | ||||
| Financiële positie (in € 1.000) | |||||||||
| Pensioenvermogen | 167.800 | 228.233 | 212.651 | 190.649 | 162.326 | ||||
| Technische voorzieningen risico Pensioenkring | 143.760 | 190.642 | 198.320 | 171.645 | 142.054 | ||||
| Herverzekeringsdeel technische voorzieningen | 2.204 | 1.585 | 1.619 | 1.467 | 1.402 | ||||
| Eigen vermogen | 21.836 | 36.006 | 12.712 | 17.537 | 18.870 | ||||
| Minimaal vereist eigen vermogen | 6.172 | 8.131 | 8.428 | 7.315 | 6.087 | ||||
| Vereist eigen vermogen | 21.557 | 27.488 | 27.840 | 25.724 | 21.816 | ||||
| Premies en uitkeringen (in € 1.000) | |||||||||
| Kostendekkende premie | 7.652 | 7.788 | 6.815 | 6.024 | 5.771 | ||||
| Gedempte premie | 6.025 | 5.731 | 5.779 | 4.194 | 4.201 | ||||
| Feitelijke premie | 6.339 | 5.907 | 5.781 | 5.855 | 5.570 | ||||
| Pensioenuitkeringen* | 2.684 | 2.416 | 2.208 | 2.106 | 2.086 | ||||
| Toeslagen | |||||||||
| Deelnemers | 5,80% | 1,70% | 0,99% | 1,64% | 1,47% | ||||
| Gewezen deelnemers en pensioengerechtigden | 5,54% | 0,25% | 0,00% | 0,22% | 0,80% | ||||
| Niet toegekende toeslagen deelnemers (cumulatief) | 12,33% | 2,32% | 0,87% | 0,00% | 0,00% | ||||
| Niet toegekende toeslagen gewezen deelnemers en pensioengerechtigden (cumulatief) |
17,76% | 6,50% | 4,09% | 3,07% | 1,63% | ||||
| Beleggingsrendement | |||||||||
| Per jaar | -29,3% | 5,2% | 8,9% | 16,5% | -0,4% | ||||
| Kostenratio`s | |||||||||
| Pensioenuitvoeringskosten | 0,26% | 0,19% | 0,21% | 0,15% | 0,16% | ||||
| Vermogensbeheerkosten | 0,46% | 0,34% | 0,36% | 0,33% | 0,30% | ||||
| Transactiekosten | 0,07% | 0,07% | 0,06% | 0,08% | 0,06% | ||||
| Gemiddelde duration (in jaren) | |||||||||
| Actieve deelnemers | 23,4 | 24,9 | 25,1 | 25,0 | 24,9 | ||||
| Gewezen deelnemers | 24,4 | 26,1 | 26,5 | 26,3 | 25,6 | ||||
| Pensioengerichtigden | 9,7 | 10,7 | 11,0 | 10,8 | 10,4 | ||||
| Totaal gemiddelde duration | 20,1 | 22,7 | 22,7 | 22,4 | 21,8 | ||||
| Gemiddelde rekenrente | 2,54% | 0,58% | 0,20% | 0,77% | 1,44% |
2.2 Algemene informatie
Pensioenkring Eastman is vanaf 1 oktober 2016 operationeel. Per die datum zijn de pensioenaanspraken en het vermogen van de voormalige Stichting Pensioenfonds E-Way overgedragen aan Stap Pensioenkring Eastman door middel van een collectieve waardeoverdracht. De werkgever Eastman Chemical B.V. en Stap zijn per 1 oktober 2016 een uitvoeringsovereenkomst aangegaan voor een periode van vijf jaar. Per 1 januari 2020 is de uitvoeringsovereenkomst opengebroken en is er een nieuwe overeenkomst afgesloten voor een periode van vijf jaar.
De samenstelling en zittingstermijnen van het Belanghebbendenorgaan zijn op het moment van vaststellen van het jaarverslag als volgt:
| Naam lid Belanghebbendenorgaan | Ingangsdatum zittingstermijn | Einddatum 1ste zittingstermijn | Einddatum 1ste Herbenoeming | Laatste termijn eindigt op |
|---|---|---|---|---|
| Harold de Kruijf (1969), voorzitter namens de werkgevers |
06-10-2021 | 01-10-2025 | 01-10-2029 | 01-10-2033 |
| Lucy van der Wolf (1963), lid namens de werkgevers |
01-04-2021 | 01-04-2025 | 01-04-2029 | 01-04-2033 |
| Remy Franquinet (1943), lid namens de pensioengerechtigden |
01-10-2016 | 01-10-2020 | 01-10-2024 | 01-10-2028 |
| Vacature, lid namens de werknemers |
01-01-2023 | 01-01-2023 | 01-01-2031 | 01-01-2035 |
In 2022 is de samenstelling van het Belanghebbendenorgaan uitgebreid met een aspirant lid met het oog op de vacature die was ontstaan. Adriaan Paré heeft als aspirant lid de vergaderingen van het Belanghebbendenorgaan in 2022 als toehoorder bijgewoond. Met ingang van 2 maart 2023 is Adriaan Paré benoemd als lid van het Belanghebbendenorgaan namens de werknemers.
Het Belanghebbendenorgaan van Pensioenkring Eastman heeft in 2022 twee keer overleg gehad met het Bestuur. In mei 2022 stond het overleg in het teken van het jaarverslag 2021 en het tweede overleg heeft in november 2022 plaatsgevonden. Daarin zijn diverse onderwerpen zoals het beleggingsplan 2023, het jaarplan 2023, de toeslagverlening per 31 december 2022, het communicatiejaarplan 2023 en het pensioenreglement 2023 behandeld. Naast de vergaderingen met het Bestuur, heeft het Belanghebbendenorgaan ook vijf eigen vergaderingen gehad waarbij een delegatie van het Bestuursbureau aanwezig was.
2.3 Pensioen paragraaf
Kenmerken regeling
De belangrijkste kenmerken van de regeling luiden als volgt:
| Pensioenregeling | De pensioenregeling is een zogeheten Collective Defined Contribution (CDC) regeling. Het is een voorwaardelijke middelloonregeling met voorwaardelijke toeslagen. Wanneer de premie in enig jaar niet toereikend is om de beoogde regeling te financieren, dan wordt het opbouwpercentage van de voorwaardelijke middelloonregeling in het betreffende jaar aangepast. De pensioenregeling heeft het karakter van een uitkeringsovereenkomst. |
|---|---|
| Pensioenleeftijd | Leeftijd 68 jaar |
| Toetredingsleeftijd | Leeftijd 21 jaar |
| Pensioengevend salaris | 13 maal het door de deelnemer overeengekomen maandsalaris en de overeengekomen vakantie-uitkering. |
| Franchise | € 14.802 (2022), volgt de verhoging van het prijsindexcijfer. |
| Pensioengrondslag | De pensioengrondslag bedraagt het pensioengevend salaris minus de franchise. Voor de vaststelling van de pensioengrondslag bedraagt het pensioengevend salaris vermeerderd met de ploegentoeslag op jaarbasis, op voltijdsbasis niet meer dan het op de datum van vaststelling van de pensioengrondslag geldende maximale pensioengevend loon in de zin van artikel 18ga van de Wet op de loonbelasting 1964. |
| Opbouwgrensbedrag | Het deel van het pensioengevend salaris waarover een aanspraak op ouderdomspensioen wordt opgebouwd. Het opbouwgrensbedrag bedraagt een vast bedrag dat niet jaarlijks wordt geïndexeerd. Het opbouwgrensbedrag bedraagt per 1 januari 2022 € 55.000. |
| Opbouwpercentage ouderdomspensioen | Het beoogd opbouwpercentage is 1,875% (2022). Het feitelijk opbouwpercentage is 1,875% (2022). |
| Partnerpensioen | Voor ieder deelnemersjaar 1,313% van de pensioengrondslag en ploegenpensioengrondslag zoals die voor dat betreffende deelnemersjaar is vastgesteld. |
| Wezenpensioen | 20% van het partnerpensioen. |
| Premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid | Bij arbeidsongeschiktheid wordt de pensioenopbouw geheel of gedeeltelijk voortgezet, afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid. |
Ontwikkelingen in aantallen deelnemers
In onderstaande tabel is een mutatieoverzicht opgenomen met de ontwikkelingen in het deelnemersbestand.
| Deelnemers | Actief | AOP */** | Ingegaan OP/NP | Ingegaan WzP | Gewezen | Totaal |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Per 31 december 2021 | 506 | 8 | 101 | 2 | 511 | 1.128 |
| Bij | 84 | 0 | 9 | 1 | 39 | 133 |
| Af | 44 | 8 | 0 | 0 | 16 | 68 |
| Per 31 december 2022 | 546 | 0 | 110 | 3 | 534 | 1.193 |
Financieringsbeleid
De werkgever betaalt een premie als vast percentage van de som van de volledige pensioengevende salarissen in dat jaar. Deze premie is de totale premie voor twee pensioenregelingen die volgen uit de pensioenovereenkomst, zijnde de voorwaardelijke middelloonregeling ondergebracht bij Stap in Pensioenkring Eastman en de beschikbare premieregeling ondergebracht bij een andere pensioenuitvoerder. Deze premie is voor de periode 1 januari 2020 tot 1 januari 2025 vastgesteld op 21% van de som van de volledige pensioengevende salarissen (inclusief de ploegentoeslaggrondslag). De aan Stap te betalen premie is de vaste premie na aftrek van de premie voor de beschikbare premieregeling.
Feitelijke premie
De werkgever draagt, met inachtneming van het daartoe bepaalde in de uitvoeringsovereenkomst, jaarlijks aan Stap de vaste premie na aftrek van de premie voor de beschikbare premieregeling af voor de pensioenaanspraken in de voorwaardelijke middelloonregeling. Wanneer de premie in enig jaar niet toereikend is om de beoogde regeling te financieren, zal het opbouwpercentage van de voorwaardelijke middelloonregeling in het betreffende jaar naar rato worden aangepast.
Gedempte premie
Om conform de Pensioenwet te toetsen in hoeverre de feitelijke premie voldoet aan de wettelijke eisen, hanteert de Pensioenkring een gedempte premie. De berekening van de gedempte premie is gebaseerd op een verwacht rendement op basis van het huidige strategische beleggingsbeleid. Hierbij geldt dat het rendement op vastrentende waarden gelijk is aan de rentetermijnstructuur van 31 december 2019. Voor de risicopremies zijn de hoogtes (meetkundig) gelijk gesteld aan de maximale rendementsparameters zoals vastgesteld in artikel 23a van het Besluit FTK en geldend per 1 januari 2020. De curve is verlaagd met circa 1,9% voor inflatie op basis van een ingroeipad voor de CPI zoals deze door DNB is gepubliceerd. De curve geldt voor de periode 1 januari 2020 tot 1 januari 2025.
Kostendekkende premie
Naast de gedempte premie wordt jaarlijks ook de kostendekkende premie bepaald. De kostendekkende premie wordt op dezelfde grondslagen berekend als de gedempte premie, met uitzondering van de rekenrente. Bij de kostendekkende premie wordt de actuele rentetermijnstructuur gebruikt zoals deze door DNB gepubliceerd wordt per 31 december van het voorafgaande jaar.
Indexatiedepot
Bij de start van Pensioenkring Eastman is het indexatiedepot, waar uit hoofde van de collectieve waardeoverdracht de Bestemmingsreserve Indexatie Middelloon (BIM) van het voormalige Pensioenfonds E-Way is ingebracht, gecontinueerd. Jaarlijks wordt de premiemarge, zijnde het positieve verschil tussen de feitelijke premie en de voor dat jaar vastgestelde gedempte premie, in dit depot gestort.
Weerstandsvermogen
Het weerstandsvermogen voor Pensioenkring Eastman bedraagt 0,2% van het beheerde pensioenvermogen. Dit weerstandsvermogen is het vermogen dat Stap volgens het bepaalde bij of krachtens de Pensioenwet ten minste moet aanhouden als vermogen om de bedrijfsrisico’s te dekken. Het weerstandsvermogen maakt geen deel uit van het vermogen van de Pensioenkring.
Voor het weerstandsvermogen geldt een wettelijk voorgeschreven minimum en maximum. Doorlopend wordt getoetst of het aanwezige weerstandsvermogen hieraan voldoet. Daarbij vastgestelde overschotten en tekorten van het weerstandsvermogen die het gevolg zijn van het behaalde positieve of negatieve rendement op het vermogen van Pensioenkring Eastman, komen ten goede aan respectievelijk ten laste van het behaalde bruto rendement op het vermogen van Pensioenkring Eastman.
2.4 Vermogensbeheer
Beleggingsmix
In onderstaande tabellen zijn de actuele en strategische beleggingsmix per ultimo 2022 en 2021 opgenomen. De beleggingen voor het indexatiedepot zijn in de tweede tabel separaat weergegeven.
| 2022 | 2021 | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| in € miljoen | Actuele mix in % |
Strategische mix in % |
in € miljoen | Actuele mix in % |
Strategische mix in % |
|
| Aandelen | 49,1 | 29,6 | 29,0 | 71,8 | 31,7 | 29,0 |
| Opkomende markten | 9,0 | 5,4 | 5,0 | 11,0 | 4,8 | 5,0 |
| Europa | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 19,0 | 8,4 | 7,5 |
| Wereldwijd | 40,2 | 24,2 | 24,0 | 41,8 | 18,5 | 16,5 |
| Vastrentende waarden (inclusief liquiditeiten en overlay) * | 108,6 | 70,4 | 71,0 | 141,5 | 68,3 | 71,0 |
| Bedrijfsobligaties wereld (exclusief financials) | 16,4 | 9,9 | 10,0 | 20,5 | 9,0 | 10,0 |
| Bedrijfsobligaties Europa | 16,5 | 9,9 | 10,0 | 21,1 | 9,3 | 10,0 |
| Hypotheken Nederland | 34,8 | 21,0 | 20,0 | 41,6 | 18,3 | 20,0 |
| Staatsleningen opkomende markten | 6,9 | 4,2 | 4,0 | 7,8 | 3,5 | 4,0 |
| Discretionaire inflatie-gerelateerde staatsobligaties | 16,2 | 9,8 | 10,0 | 24,1 | 10,6 | 10,0 |
| Discretionaire staatsobligaties | 17,8 | 10,8 | 26,5 | 11,7 | ||
| Liquiditeiten | 40,3 | 24,3 | 17,0 | 14,0 | 6,2 | 17,0 |
| Overlay | -32,2 | -19,4 | -0,8 | -0,3 | ||
| Interest Rate Swap | -32,2 | -19,4 | -0,8 | -0,3 | ||
| Totaal **/*** | 165,8 | 100,0 | 100,0 | 226,6 | 100,0 | 100,0 |
Beleggingsmix Indexatiedepot
| 2022 | 2021 | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| in € miljoen | Actuele mix in % |
Strategische mix in % |
in € miljoen | Actuele mix in % |
Strategische mix in % |
|
| Liquiditeiten | 0,0 | 100,0 | 100,0 | 1,7 | 100,00 | 100,00 |
| Totaal | 0,0 | 100,0 | 100,0 | 1,7 | 100,00 | 100,00 |
In december 2022 is, na goedkeuring van het Belanghebbendenorgaan, het beleggingsplan 2023 vastgesteld. Het beleggingsplan 2023 heeft als ingangsdatum 1 januari 2023.
Ten opzichte van het beleggingsplan 2022 zijn de volgende wijzigingen in de strategische asset allocatie aangebracht voor het beleggingsplan 2023:
- De bandbreedte rondom de categorie discretionaire staatsobligaties plus de kas exposure naar liquiditeiten wordt aangepast in: 20% van het strategisch gewicht van de categorie plus het verschil in het niveau tussen de maximale en neutrale fysieke kas die voortvloeit uit de onderpandbehoefte voor interest rate swap.
- De samenstelling en invulling van de portefeuille met bedrijfsobligaties wordt gewijzigd. Zo wordt de allocatie naar euro bedrijfsobligaties ingevuld met een belegging in een actief beheerde beleggingsoplossing om op het gebied van Maatschappelijk Verantwoord Beleggen (MVB) een volgende stap in ESG-integratie te bewerkstelligen. Ook is, mede gericht op het MVB-thema klimaat, een deel-allocatie naar Green Bonds toegevoegd.
- Er wordt een minimum allocatie naar discretionaire staatsobligaties (nominaal en inflatie-gerelateerd) geïntroduceerd om te kunnen voldoen aan onderpand verplichtingen voor derivaten.
- Het dynamische rentebeleid wordt vervangen door een vaste renterisicoafdekking van 77,5% (neutraal niveau op basis van indexatie ambitie).
Resultaten beleggingen
In onderstaande tabellen worden de beleggingsresultaten van 2022 weergegeven.
| Cijfers in % | Pensioenkring * | Benchmark | Relatief | Bijdrage aan totaal rendement |
|---|---|---|---|---|
| Aandelen | -17,4 | -16,8 | -0,7 | -4,8 |
| Aandelen opkomende markten (MM Emerging Markets Fund) |
-18,2 | -14,9 | -4,0 | -0,9 |
| Aandelen Europa (MM European Equity Fund) |
-6,1 | -5,8 | -0,3 | -0,2 |
| Aandelen Europa Afgedekt (MM European Equity Afdekking Fund - EUR) |
-6,1 | -5,8 | -0,3 | -0,2 |
| Aandelen wereldwijd (MM World Equity Index Fund) |
-3,4 | -3,0 | -0,4 | -0,2 |
| Aandelen wereldwijd afgedekt (MM World Equity Index Fund - EUR) |
-3,7 | -3,3 | -0,4 | -0,2 |
| Aandelen wereldwijd (MM World Equity Index SRI Fund) |
-12,5 | -12,8 | 0,4 | -1,4 |
| Aandelen wereldwijd afgedekt (MM World Equity Index SRI Fund - EUR) |
-16,7 | -17,0 | 0,4 | -1,7 |
| Vastrentende waarden | -17,8 | -18,7 | 1,1 | -11,0 |
| Bedrijfsobligaties Europa (MM Credit Index Fund) |
-13,8 | -13,9 | 0,2 | -1,3 |
| Bedrijfsobligaties wereld (exclusief financials) (MM Global Credit Ex Financials Fund) |
-16,3 | -16,5 | 0,2 | -1,5 |
| Hypotheken Nederland (MM Dutch Mortgage Fund) |
-16,8 | -20,1 | 4,2 | -3,2 |
| Staatsleningen opkomende markten (MM Emerging Market Debt Fund) |
-19,5 | -18,0 | -1,8 | -0,6 |
| Discretionaire portefeuille nominale staatsobligaties | -30,6 | -30,6 | 0,0 | -3,2 |
| Discretionaire inflatie-gerelateerde staatsobligaties | -10,9 | -10,9 | 0,0 | -1,2 |
| Liquiditeiten | 0,0 | |||
| Totaal exclusief overlay | -15,7 | -16,1 | 0,4 | -15,8 |
| Totaal overlay | -13,5 | |||
| Interest Rate Swap | -13,5 | |||
| Totaal inclusief overlay | -29,3 | -29,3 |
Beleggingsresultaten Indexatiedepot 2022
| Cijfers in % | Pensioenkring | Benchmark | Relatief | Bijdrage aan totaal rendement |
|---|---|---|---|---|
| Liquiditeiten | -0,3 | 0,0 | -0,3 | -0,3 |
| Totaal | -0,3 | 0,0 | -0,3 | -0,3 |
Toelichting resultaten beleggingen 2022
In deze paragraaf wordt ingegaan op de behaalde rendementen van de Pensioenkring (1).
Het totaalresultaat van de beleggingen was in 2022 fors negatief. Voor een groot deel is dit resultaat toe te schrijven aan de beleggingen die worden ingezet voor de afdekking van het renterisico (de meeste vastrentende waarden en de interest rate swaps). Door de gestegen rente hebben deze beleggingen een negatief resultaat behaald. Dit is echter in lijn met de doelstelling van deze beleggingen om de waardeverandering van de pensioenverplichtingen te volgen. De gestegen rente heeft immers ook geleid tot een daling van de waarde van de pensioenverplichtingen. Omdat de Pensioenkring het renterisico niet volledig afdekt, heeft de gestegen rente ondanks het negatieve resultaat op de vastrentende beleggingen een positief effect gehad op de dekkingsgraad. Daarnaast zorgde een aantal belangrijke macro-economische en politieke gebeurtenissen in 2022, waaronder de oorlog in Oekraïne, voor dalende aandelenkoersen. Per saldo resulteerde een sterk negatief totaalrendement.
De belangrijkste bijdragen aan het rendement en de meest opvallende relatieve en absolute rendementen worden hierna toegelicht.
(1) Voor de meeste beleggingscategorieën wordt passief belegd. Doordat de benchmark geen rekening houdt met transactiekosten is het rendement van de passief beheerde fondsen, als gevolg van de transactiekosten, meestal iets lager dan de gehanteerde benchmark.
Toelichting resultaten aandelen
Door de sterke daling van de aandelenmarkt droeg de categorie aandelen met -4,8%-punt negatief bij aan het totaal rendement. Het MM World Equity Index SRI Fund - EUR had met -1,7%-punt de grootste negatieve bijdrage aan deze beleggingscategorie.
Ontwikkeling aandelen ontwikkelde markten
In januari 2022 zijn de beleggingen in het MM European Equity Fund en het MM European Equity Afdekking Fund verkocht. Daarnaast zijn de beleggingen in het MM World Equity Index Fund en het MM World Equity Index Fund - EUR omgezet naar het MM World Equity Index SRI Fund en het MM World Equity Index SRI Fund - EUR. Deze fondsen beleggen wereldwijd in aandelen van beursgenoteerde ondernemingen, waarbij gebruik wordt gemaakt van een best-in-class (ESG) benadering. Het terugvorderen van dividendbelasting droeg dit jaar positief bij en als gevolg hiervan behaalde het fonds een positief relatief rendement.
Ontwikkeling aandelen opkomende markten
Het MM Emerging Markets Fund belegt wereldwijd in aandelen van ondernemingen uit ontwikkelde en opkomende markten. Het merendeel van de managers in het beleggingsfonds maken gebruik van bottom-up aandelenselectie. Na het sterke relatieve rendement in de voorgaande jaren werd in 2022 een rendement behaald dat lager was dan het rendement van de benchmark. Het jaar kenmerkte zich door een aantal belangrijke macro-economische en politieke gebeurtenissen die zorgden voor dalende aandelenkoersen en welke per saldo een negatieve impact hadden op het relatieve rendement van de meeste externe managers in het fonds. De toegenomen spanningen tussen China en Taiwan hadden een negatieve invloed op de performance van met name Chinese en Taiwanese posities in de portefeuille. Daarnaast heeft aandelenselectie in India negatief aan de relatieve performance bijgedragen.
Toelichting resultaten vastrentende waarden
Vastrentende waarden droegen -11,0%-punt bij aan het totaal rendement. Het MM Dutch Mortgage Fund leverde met -3,2%-punt de grootste negatieve bijdrage aan deze beleggingscategorie, terwijl het MM Emerging Market Debt Fund juist de minst negatieve bijdrage liet zien van -0,6%-punt.
Ontwikkeling (inflatie-gerelateerde) discretionaire staatsobligaties
In de verslagperiode behaalden zowel de portefeuille met discretionaire nominale staatsobligaties als de portefeuille met discretionaire inflatie-gerelateerde staatsobligaties een negatief rendement. Europese staatsobligaties lieten een daling zien als gevolg van een sterk opgelopen rente. Een belangrijke reden voor de hogere rente was de scherp oplopende inflatie, welke vooral werd veroorzaakt door de voedsel- en energiecrisis voortkomend uit de Russische invasie in Oekraïne en de economische sancties hierop vanuit het westen. De Europese Centrale Bank heeft de rente met 2,5%-punt verhoogd om zo een halt te roepen aan de inflatiecijfers. De inflatie-component van inflatie-gerelateerde staatsobligaties bracht hierdoor wel een positieve relatieve performance met zich mee, doordat de gerealiseerde inflatie over het jaar positief was. De reële rente steeg ook, maar lang niet zo veel als de nominale rente. Hierdoor ontstond een rendementsverschil van bijna 20%-punt tussen de twee soorten staatsobligaties, in het voordeel van de inflatie-gerelateerde staatsobligaties.
Ontwikkeling staatsobligaties opkomende markten
De sterk gestegen rente in combinatie met het uitlopen van de risicopremies zorgde voor negatieve absolute rendementen. Het rendement van het MM Emerging Market Debt Fund, dat belegt in staatsleningen van opkomende markten en daarbij de Amerikaanse dollar exposure afdekt naar euro, bleef in 2022 aanzienlijk achter bij het rendement van de benchmark. Het fonds nam beperkt meer risico dan de benchmark, dit werd echter in 2022 niet beloond daar de risicopremies vooral voor de landen met een high yield rating fors stegen. Het fonds had meer dan de benchmark belegd in Oekraïne, Zambia en Ghana en minder in Bahrein, en de Filippijnen. Al deze posities droegen negatief bij aan het relatieve rendement.
Ontwikkeling bedrijfsobligaties wereld (exclusief financials)
Het MM Global Credit Ex Financials Fund kent een passieve beleggingsstijl. Het fonds kan, in tegenstelling tot de benchmark naar BBB afgewaardeerde obligaties aanhouden om transactiekosten te beperken. Eind 2022 is 8% belegd in obligaties met een rating van BBB+ of BBB. Het aanhouden van deze obligaties had een licht positief effect op het rendement. Transactiekosten hadden een licht negatief effect. Tevens zorgde de kaspositie, die aangehouden moet worden als onderpand voor de valuta afdekking, voor een licht positieve bijdrage aan het relatieve rendement omdat kas beter rendeerde dan bedrijfsobligaties.
Ontwikkeling bedrijfsobligaties Europa
Het MM Credit Index Fund kent een passieve beleggingsstijl waardoor het rendement normaliter in lijn is met het rendement van de benchmark. In tegenstelling tot de benchmark maakt het fonds kosten bij de transacties om het fonds in lijn te houden met de benchmark waardoor het fonds over het algemeen wat achterblijft bij de benchmark. In 2022 was het rendement van het fonds beter dan van de benchmark. Reden hiervoor is het feit dat de obligaties in het fonds over het algemeen een betere liquiditeit hebben om transactiekosten te beperken en de meer liquide obligaties in 2022 een beperkt beter rendement kenden dan de minder liquide obligaties. Daarnaast had het fonds initieel een lager gewicht in Russische obligaties die de index tegen een prijs van 0 verlieten.
Ontwikkeling Nederlandse hypotheken
Het MM Dutch Mortgage Fund droeg -3,2%-punt negatief bij aan het beleggingsrendement van de Pensioenkring. Het rendement van de belegging in het MM Dutch Mortgage Fund was in 2022 wel beter dan dat van Nederlandse staatsobligaties. De risicopremie van hypotheken was per saldo stabiel in 2022. Het fonds profiteerde gedurende 2022 van de spread van hypotheken ten opzichte van staatsobligaties. Daarnaast was de wat lagere duratie van het fonds ten opzichte van de benchmark positief voor het relatief rendement gezien de aanzienlijke rentestijging in 2022. De huizenmarkt in Nederland was in de tweede helft van 2022 wat zwakker, maar het fonds is goed beschermd door de relatief lage loan-to-value (minder dan 60%). Betalingsachterstanden op hypotheken zijn zeer laag ondanks de gestegen prijzen voor energie.
Ontwikkelingen liquiditeiten
De liquiditeiten worden in een tweetal geldmarktfondsen belegd. Voor het Morgan Stanley Euro Liquidity Fund en het Fidelity Institutional Liquidity Fund was de primaire focus om te kunnen voorzien in liquiditeit vanwege de aanhoudende onzekerheden in de financiële markten. Om dit te bewerkstelligen hield men vast aan een relatief hoge allocatie naar dagelijks opvraagbare deposito’s en posities met een looptijd van maximaal één week. Om te profiteren van de oplopende rente werd gedurende het jaar door deze fondsen meer belegd in posities met een relatief korte looptijd. Het behaalde rendement was licht negatief.
Toelichting resultaten overlay
De overlay, bestaande uit renteswaps, heeft voornamelijk als doel om de dekkingsgraad van de Pensioenkring te beschermen tegen financiële risico’s en droeg in 2022 -13,5%-punt bij aan het totale rendement. Dit werd veroorzaakt door een stijging van de swaprente in 2022.
Attributie analyse
De attributie geeft een nadere verklaring van de behaalde out-performance over een bepaalde periode. Dit wordt verklaard door twee elementen:
- allocatie: out-performance behaald door meer/minder te beleggen (alloceren) in categorieën die het relatief beter/slechter doen ten opzichte van het totaal;
- selectie: out-performance behaald door binnen de beleggingscategorie bepaalde beleggingen te kiezen die een out-performance behalen ten opzichte van hun respectievelijke benchmark.
| Attributie beleggingscategorieën eind 2022 | ||
|---|---|---|
| Cijfers in % | Allocatie effect | Selectie effect |
| Aandelen | 0,1 | -0,3 |
| Vastrentende waarden | 0,0 | 0,6 |
| Liquiditeiten | 0,0 | 0,0 |
| Totaal | 0,1 | 0,3 |
Het positieve relatieve rendement wordt met name veroorzaakt door het selectie effect. Het MM Dutch Mortgage Fund zorgde voor de grootste positieve bijdrage aan het selectie effect, namelijk met 0,6%-punt. De andere fondsen droegen voornamelijk negatief bij aan het selectie effect, met het MM Emerging Markets Fund (-0,2%-punt) als uitschieter.
2.5 Kostentransparantie
Het onderstaande overzicht is opgesteld conform de Aanbeveling Uitvoeringskosten van de Pensioenfederatie. Mede op basis van deze aanbevelingen is een deel (voor Stap 30% van de exploitatiekosten) van de uitvoeringskosten voor pensioenbeheer gealloceerd naar de kosten voor vermogensbeheer. Genoemde bedragen zijn vermeld in € 1.000, tenzij anders is aangegeven.
| 2022 | 2021 | 2022 | 2021 | |
|---|---|---|---|---|
| Soort kosten | € | € | % * | % * |
| Uitvoeringskosten pensioenbeheer | 468 | 422 | 0,25 | 0,19 |
| Kosten vermogensbeheer | 871 | 742 | 0,46 | 0,34 |
| Transactiekosten | 141 | 146 | 0,07 | 0,07 |
| Totaal ** | 1.480 | 1.310 | 0,78 | 0,60 |
De hierboven vermelde kosten zijn uitgedrukt in een percentage van het gemiddeld belegd vermogen in het betreffende jaar en worden in de volgende paragrafen nader uitgesplitst en toegelicht.
Uitvoeringskosten pensioenbeheer
Deze kosten betreffen de kosten voor pensioenbeheer en de exploitatie van Stap. De wijziging van het weerstandsvermogen wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.
| 2022 | 2021 | 2022 | 2021 | |
|---|---|---|---|---|
| Soort kosten | € | € | % * | % * |
| Administratiekostenvergoeding | 293 | 282 | 0,16 | 0,13 |
| Administratiekostenvergoeding meerwerk | 42 | 17 | 0,02 | 0,00 |
| Exploitatiekosten Stap | 169 | 172 | 0,09 | 0,08 |
| Overige kosten | 17 | 3 | 0,01 | 0,00 |
| Allocatie naar kosten vermogensbeheer | -53 | -52 | -0,03 | -0,02 |
| Totaal ** | 468 | 422 | 0,25 | 0,19 |
De administratiekosten vergoeding is in 2022 toegenomen als gevolg van de jaarlijkse indexatie. Deze bedroeg 3,9% voor 2022. De administratiekostenvergoeding meerwerk bestaat in 2022 uit het risicobereidheidsonderzoek en het informatieverzoek van AFM voor de toezichtrapportage tweedepijlerpensioen. Daarnaast zijn de kosten hoger uitgevallen door de extra advies uren.
De exploitatiekosten zijn in 2022 licht toegenomen. De overige kosten zijn in 2022 toegenomen doordat er meer mailingen, voor onder meer het risicobereidheidsonderzoek, zijn uitgestuurd en bestaat daarnaast uit een vergoeding voor het door Aon uitgevoerde onderzoek naar ervaringssterfte.
Kosten per deelnemer
De uitvoeringskosten pensioenbeheer per actieve deelnemer/pensioengerechtigde zijn in de volgende tabel weergegeven.
| 2022 | 2021 | |||
|---|---|---|---|---|
| Uitvoeringskosten pensioenbeheer | ||||
| Totale uitvoeringskosten pensioenbeheer ( in € 1.000) | 468 | 422 | ||
| Uitvoeringskosten pensioenbeheer per actieve deelnemer/pensioengerechtigde (in €) * | 710 | 684 |
De kosten per deelnemer zijn ten opzichte van 2021 op totaalniveau iets gestegen door de toename van de totale uitvoeringskosten.
Voor de kosten per deelnemer/pensioengerechtigden is op dit moment geen benchmark opgenomen, omdat de meerwaarde van het laten uitvoeren van een benchmark op dit moment niet opweegt tegen de vergoeding die daarvoor gevraagd wordt. Over 2021 is op basis van een analyse uit de markt (2) geconstateerd dat de kosten per deelnemer/pensioengerechtigde van de Pensioenkring lager waren dan voor een pensioenfonds van vergelijkbare omvang als de Pensioenkring.
(2) Bron: Rapport “Werk in uitvoering bij pensioenfondsen 2021” van LCP van 16 september 2021.
Kosten vermogensbeheer
Het bedrag van 871 betreft alle door de Pensioenkring betaalde kosten vermogensbeheer (direct en indirect).
| 2022 | 2021 | |||
|---|---|---|---|---|
| Kosten vermogensbeheer | € | € | ||
| Directe kosten vermogensbeheer | 643 | 413 | ||
| Indirecte kosten vermogensbeheer (ten laste van beleggingsresultaat) | 228 | 329 | ||
| Totale kosten van vermogensbeheer | 871 | 742 |
De directe kosten vermogensbeheer bestaan uit de volgende posten:
- dienstverlening integraal balansbeheerder;
- beheervergoeding: dit is een vaste beheervergoeding voor het operationeel vermogensbeheer per tijdsperiode die onafhankelijk is van de prestatie;
-vergoeding advies, administratie en rapportage: dit is de vergoeding voor de integrale dienstverlening conform de uitbestedingsovereenkomst; - overige directe kosten: dit betreft onder andere bankkosten en custody-kosten;
- allocatie van de exploitatiekosten van Stap die betrekking hebben op vermogensbeheer.
De hoogte van de directe kosten vermogensbeheer (643) wijkt af van de weergave in de financiële opstelling (686). Een deel van deze directe kosten vermogensbeheer betreffen transactiekosten (17) en deze zijn hierna in de paragraaf Transactiekosten verantwoord. Daarnaast wordt een deel van de overige kosten (26) bij de vermogensbeheerder en in het bestuursverslag onder indirecte kosten verantwoord. De verschillen tussen de financiële opstelling en het bestuursverslag betreffen verschuivingen in de weergave en hebben geen invloed op het totaal aan kosten vermogensbeheer.
De indirecte kosten vermogensbeheer bestaan uit kosten die worden gemaakt binnen de onderliggende beleggingsfondsen. Deze bestaan uit de volgende posten:
- beheervergoeding externe managers: dit is een (basis) vergoeding per tijdsperiode die onafhankelijk is van de prestatie.
- performance fee externe managers: dit is een prestatieafhankelijke vergoeding voor het verslaan van de benchmark door een externe manager.
- overige kosten: dit betreft onder andere de vergoeding van de bewaarbank, administratiekosten, accountantskosten en juridische kosten.
De kosten vermogensbeheer worden gerapporteerd in euro’s en als percentage van het gemiddelde van het totaal belegd vermogen. De volgende tabel geeft dit per beleggingscategorie weer. Het aandeel aan geschatte kosten is beperkt. De schattingen zijn gebaseerd op opgaven van externe managers van kosten in onderliggende beleggingsstructuren.
| 2022 | 2021 | 2022 | 2021 | |
|---|---|---|---|---|
| Categorie beleggingen | € | € | % * | % * |
| Aandelen | 55 | 184 | 0,03 | 0,09 |
| Vastrentende waarden | 369 | 286 | 0,20 | 0,13 |
| Overig | 395 | 220 | 0,21 | 0,10 |
| Totaal | 818 | 690 | 0,43 | 0,32 |
| Allocatie vanuit pensioenbeheer | 53 | 52 | 0,03 | 0,02 |
| Totaal ** | 871 | 742 | 0,46 | 0,34 |
De kosten vermogensbeheer zijn als percentage van het gemiddeld belegd vermogen in 2022 0,12%-punt hoger dan in 2021 (0,34%). Dit is voornamelijk veroorzaakt door een hogere beheervergoeding en een hogere vergoeding voor advies, administratie en rapportage. Vervolgens is dit deels teniet gedaan door de gedaalde prestatieafhankelijke vergoedingen binnen de aandelenbeleggingen.
Transactiekosten
Deze kosten betreffen de toe- en uittredingsvergoedingen van de beleggingsfondsen, de transactiekosten van discretionaire portefeuilles en de derivatentransacties. Deze kosten zijn in het gerapporteerde rendement verwerkt.
Transactiekosten in beleggingsfondsen zijn wel onderdeel van het rendement, maar worden niet apart gespecificeerd. De transactiekosten zijn als volgt bepaald:
- aandelen: op basis van directe transactiekosten zoals commissie en belastingen en indirecte kosten zoals spread en marktimpact. Indien deze kosten niet aanwezig zijn, worden deze vastgesteld op basis van schattingen;
- vastrentende waarden en derivaten: van vastrentende waarden zijn de transactiekosten slechts bij benadering vast te stellen. Deze kosten zijn niet zichtbaar bij aan- en verkopen, maar zijn een impliciet onderdeel van de spread tussen bied- en laatkoersen. Binnen deze fondsen worden de transactiekosten geschat op basis van de gemiddelde spread gedurende het jaar en de som van aan- en verkopen;
| 2022 | 2021 | 2022 | 2021 | |
|---|---|---|---|---|
| Categorie beleggingen | € | € | % * | % * |
| Aandelen | 53 | 26 | 0,03 | 0,01 |
| Vastrentende waarden | 53 | 48 | 0,03 | 0,02 |
| Derivaten | 34 | 72 | 0,02 | 0,04 |
| Totaal ** | 141 | 146 | 0,07 | 0,07 |
In bovenstaande kosten is een bedrag van 37 (2021: 11) begrepen voor toe-en uittredingskosten van de Pensioenkring. Het restant betreft werkelijke en geschatte transactiekosten van de beleggingen.
De transactiekosten zijn in 2022 gelijk aan vorig jaar (2021: 0,07%). Binnen de beleggingscategorieën zijn de transactiekosten echter wel veranderd ten opzichte van 2021. Enerzijds zijn de transactiekosten voor aandelen gestegen, door de wijziging in de samenstelling van de aandelenportefeuille. Hierdoor zijn de toe- en uittredingskosten binnen de aandelenportefeuille gestegen ten opzichte van vorig jaar. Daarnaast zijn de transactiekosten van het MM World Equity Index SRI Fund hoger dan die van het MM World Equity Index Fund en het MM World Equity Index Fund - EUR. Anderzijds zijn de transactiekosten van derivaten gedaald ten opzichte van vorig jaar, omdat er minder bijsturingtransacties hebben plaatsgevonden.
Beleggingskosten en relatie rendement, risico en kosten
De totale kosten vermogensbeheer in 2022 bedroegen 0,46% van het gemiddeld belegd vermogen. Van deze totale kosten bestaat -0,01%-punt uit prestatieafhankelijke vergoedingen. Een deel van de beleggingsportefeuille wordt namelijk actief beheerd, met als uitgangspunt dat actief beheer voor de geselecteerde beleggingscategorieën op termijn een hoger rendement oplevert.
Het gerealiseerd relatief rendement op de actieve beleggingen was in 2022 negatief, waardoor de actieve beleggingen niet hebben bijgedragen aan een hoger rendement. Omdat de performance fee op transactiebasis wordt berekend, zijn de totale kosten uit prestatieafhankelijke vergoedingen dit jaar negatief.
Op totaalniveau is het actief risico in de beleggingsportefeuille beperkt. De ex-ante tracking error bedraagt eind 2022 0,2% op jaarbasis. Een tracking error van 0,2% geeft aan dat de kans dat het rendement van de portefeuille met maximaal 0,2% afwijkt van het rendement van de benchmark ongeveer 66,7% is. Er is ongeveer 5% kans dat de portefeuille met meer dan 0,4% (twee maal de tracking error) afwijkt van de benchmark.
Om het effect van de kosten in relatie tot het totale rendement van de Pensioenkring te duiden, geeft onderstaande grafiek weer welke kosten onderdeel uitmaken van het gerapporteerde rendement van de Pensioenkring en welke kosten hier buitenvallen. Ter vergelijking worden hierbij de cijfers over het voorgaande boekjaar getoond.
| Toelichting grafiek: | |
| Netto rendement | Rendement na kosten binnen en buiten de beleggingen. |
| Kosten niet in gerapporteerd rendement | Kosten die buiten de beleggingsportefeuille om betaald zijn. |
| Gerapporteerd rendement | Gerapporteerd rendement van de beleggingen |
| Kosten in gerapporteerd rendement | Kosten binnen de beleggingen (vermogensbeheer en transactiekosten). |
| Bruto rendement | Rendement zonder het effect van kosten. |
Uitvoeringskosten en oordeel Bestuur
Het Bestuur van Stap vindt kostenbeheersing belangrijk. Daarom streeft het Bestuur naar een acceptabel kostenniveau in verhouding tot de kwaliteit van de uitvoering en besteedt het Bestuur aandacht aan de beheersing van de uitvoeringskosten voor pensioenbeheer en vermogensbeheer.
Jaarlijks wordt voor de Pensioenkring een begroting opgesteld. De realisatie van de uitvoeringskosten wordt door het Bestuursbureau gemonitord via de maand- en kwartaalrapportages van pensioenbeheer en vermogensbeheer. Op basis van de kwartaalrapportages en via een evaluatie van de uitbestedingsovereenkomsten wordt tevens de kwaliteit van de uitvoering gemonitord.
Het Bestuur heeft de uitvoeringskosten beoordeeld en vastgesteld dat deze verklaarbaar en acceptabel zijn in het licht van de gemaakte afspraken en op basis van een analyse uit de markt (3).
(3) Bron: Rapport “Werk in uitvoering bij pensioenfondsen 2021” van LCP van 16 september 2021.
2.6 Financiële positie en herstelplan (FTK)
Dekkingsgraden
In 2022 is de rentetermijnstructuur (RTS) gestegen, waardoor de technische voorzieningen (TV) van de Pensioenkring zijn gedaald. De invoering van de tweede stap van de Ultimate Forward Rate (UFR) per 1 januari 2022 heeft dit effect licht getemperd. Per saldo heeft de rente in 2022 een positief effect gehad op de ontwikkeling van de dekkingsgraad. Een negatief beleggingsrendement van -29,3% en de toeslagverlening die eind 2022 heeft plaatsgevonden zorgden daarentegen voor een daling van de feitelijke dekkingsgraad. Uiteindelijk is de dekkingsgraad in 2022 gedaald van 118,7% naar 115,4%.
De beleidsdekkingsgraad is in 2022 gestegen van 114,2% naar 119,2% en is hoger dan de dekkingsgraad behorend bij het vereist vermogen van 114,8%. Daarmee is ultimo 2022 sprake van een toereikende solvabiliteit. Eind 2022 bedraagt de dekkingsgraad op basis van marktrente 115,0%. De dekkingsgraad op basis van marktrente wordt bepaald door het pensioenvermogen te delen door de TV op marktwaarde.
| Dekkingsgraad- en renteniveaus | ||
|---|---|---|
| Cijfers in % | 2022 | 2021 |
| Beleidsdekkingsgraad | 119,1% | 114,2 |
| Feitelijke Dekkingsgraad | 115,0% | 118,7 |
| Dekkingsgraad op basis van marktrente | 114,5% | 118,3 |
| Reële dekkingsgraad | 89,1% | 91,9 |
| Minimaal vereiste dekkingsgraad | 104,2% | 104,2 |
| Vereiste dekkingsgraad | 114,8% | 114,3 |
| Rekenrente vaststelling TV | 2,54 | 0,58 |
Herstelplan
DNB heeft op 28 januari 2022 laten weten dat voor Pensioenkring Eastman geen geactualiseerd herstelplan ingediend hoefde te worden. Waar eerder de beleidsdekkingsgraad leidend was, heeft DNB besloten dat ondanks het feit dat er wettelijk gezien een tekort is, geen herstelplan ingediend hoeft te worden als de gerapporteerde feitelijke dekkingsgraad per 31 december 2021 (119,3%) hoger is dan de dekkingsgraad behorend bij het vereist vermogen (114,3%).
In 2023 hoeft de Pensioenkring wederom geen herstelplan in te dienen, omdat de beleidsdekkingsgraad per 31 december 2022 (119,1%) hoger ligt dan de vereiste dekkingsgraad per 31 december 2022 (114,8%).
Minimaal vereist vermogen
Indien de beleidsdekkingsgraad gedurende vijf achtereenvolgende jaren (6 peilmomenten) lager is dan het vermogen dat hoort bij het minimaal vereist vermogen, dienen de pensioenaanspraken en –rechten te worden gekort. Dit betreft de korting op basis van de Maatregel minimaal vereist eigen vermogen (de zogenoemde MVEV-korting). Het korten is hierbij onvoorwaardelijk, maar mag worden verdeeld over (maximaal) 10 jaar.
Ultimo 2022 is de beleidsdekkingsgraad (119,2%) hoger dan de dekkingsgraad die hoort bij het minimaal vereist vermogen (104,2%). De MVEV-korting is per 31 december 2022 voor Pensioenkring Eastman dus niet aan de orde.
Toekomst Bestendig Indexeren (TBI)
Vanuit het wettelijk kader is toekomstbestendigheid het uitgangspunt voor toeslagverlening. Dit houdt onder meer in dat het beschikbare vermogen boven een beleidsdekkingsgraad van 110,0% bepalend is om een bepaalde toeslag levenslang toe te kunnen kennen. De levenslange toeslag wordt bepaald op grond van het verwachte gemiddelde toekomstige consumentenprijsindexcijfer voor alle bestedingen (afgeleid). De grens voor Toekomst Bestendig Indexeren (TBI) is de grens waarop de Pensioenkring op basis van toekomstbestendige toeslagverlening de volledige toeslag kan toekennen. Deze grens was voor Pensioenkring Eastman per 30 september 2022 gelijk aan 141,7%.
Toeslagbeleid
Het toeslagbeleid van Pensioenkring Eastman is voorwaardelijk. De toeslag op de pensioenaanspraken en -rechten van de deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden wordt gebaseerd op de wijziging van het consumentenprijsindexcijfer voor alle huishoudens(afgeleid). Dit wordt bepaald aan de hand van de wijziging van de index over de maand september voorafgaande aan de toeslagverlening en de maand september van het daaraan voorafgaande jaar. Een negatieve inflatie (deflatie) zal niet leiden tot een neerwaartse aanpassing. Het toeslagpercentage zal alsdan gesteld worden op 0. Het streven is een realistisch toeslagbeleid op basis van het consumentenprijsindexcijfer alle bestedingen (afgeleid). Het beleid is erop gericht om op de lange termijn circa 75% van de stijging van de prijsindex door middel van toeslagen te compenseren.
Per 31 december 2022 is een volledige toeslag verleend van 5,80% (2021: 0,25%) aan de actieve deelnemers van Pensioenkring Eastman. Aan de gewezen deelnemers en pensioengerechtigden is een volledige toeslag van 5,54% (2021: 0,25%) verleend. De gemiste toeslag per 31 december 2022 bedraagt voor de actieve deelnemers 12,33%. Voor de gewezen deelnemers en pensioengerechtigden bedraagt de gemiste toeslag 17,76%.
Richtlijnen voor toeslagen
Voor het toeslagbeleid van Pensioenkring Eastman worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:
- Het toeslagbeleid is voorwaardelijk en is afhankelijk van het behaalde beleggingsrendement op lange termijn. Dit komt tot uitdrukking in de hoogte van de beleidsdekkingsgraad van de Pensioenkring. Met behaald beleggingsrendement wordt bedoeld het beleggingsrendement dat resteert na de toevoeging aan de technische voorzieningen van het benodigde rendement en de wijziging van de rentetermijnstructuur. Dit rendement wordt jaarlijks verwerkt via het eigen vermogen van de Pensioenkring. De te verlenen toeslag is daarmee in feite afhankelijk van de beleidsdekkingsgraad (BDG) op enig moment.
- Toeslagen worden gegeven op grond van een toekomstbestendige toeslagverlening. Dit houdt in beginsel het volgende in:
- Bij een BDG die lager is dan 110% worden er geen toeslagen verleend;
- Bij een BDG boven de TBI-grens kan de volledige toeslag worden gegeven;
- Bij een BDG tussen de 110% en de TBI-grens kan een toeslag worden gegeven die naar verwachting in de toekomst te realiseren is (ongeveer naar rato).
- De BDG wordt bepaald door het gemiddelde van de feitelijke dekkingsgraden te nemen over de afgelopen 12 maanden. De BDG per 30 september is leidend voor de bepaling van de toeslag.
- De TBI-grens wordt jaarlijks bepaald door het vermogen vast te stellen wat nodig is boven een BDG van 110% om een levenslange samengestelde toeslag conform het ambitieniveau te geven.
- Inhaaltoeslagen kunnen gegeven worden indien de BDG hoger is dan de TBI-grens en het vereist vermogen.
- Het Bestuur heeft de discretionaire bevoegdheid om binnen de wettelijke grenzen van de berekende toeslag af te wijken.
Inhaaltoeslag
De verjaringstermijn van niet verleende toeslagen is vijf jaar. Hierbij wordt de periode voor toetreding tot Stap meegenomen. Wanneer de BDG boven de TBI-grens uitkomt, mag 20% van het vermogen boven deze grens gebruikt worden voor het ongedaan maken van kortingen en of het inhalen van gemiste toeslagen. Het inhalen van een eventuele indexatieachterstand over de direct voorafgaande periode van vijf jaar en herstel van kortingen zal als volgt worden toegepast:
- volledige toeslagverlening;
- herstel van kortingen;
- inhaal van indexatieachterstand.
Indexatiedepot
Indien in enig jaar nog middelen resteren in het indexatiedepot en de verleende toeslag lager is dan de maatstaf, kan het Bestuur besluiten uit die middelen een extra toeslag te verlenen aan actieve deelnemers, zodanig dat de verleende toeslag niet hoger is dan de maatstaf. Het bedrag dat onttrokken wordt aan de bestemmingsreserve wordt ‘dekkingsgraad neutraal’ vastgesteld op basis van de actieve deelnemers per 31 december van dat jaar.
Vanuit het indexatiedepot is per 31 december een aanvullende toeslag verleend van 1,45%. Deze is in 2022 verwerkt. Daarnaast is per 31 december 2022 een aanvullende toeslag verleend van 0,26%.
2.7 Actuariële paragraaf
Het verloop van de technische voorzieningen werd voor een groot deel bepaald door de bewegingen van marktrentes, beleggingsrendementen en de verleende toeslagen.
In onderstaande tabel staat een analyse van het actuariële resultaat. Hierbij worden de actuariële uitgangspunten van de Pensioenkring vergeleken met de werkelijke actuariële ontwikkelingen over het verslagjaar. De bedragen wijken af van de bedragen in de jaarrekening, die boekhoudkundig zijn bepaald.
| (bedragen x € 1.000) | ||
|---|---|---|
| Categorie resultaat | 2022 | 2021 |
| Resultaat op beleggingen | -66.630 | 11.668 |
| Resultaat op wijziging RTS | 65.195 | 14.463 |
| Resultaat op premie | -1.072 | -1.727 |
| Resultaat op waardeoverdrachten | 47 | 60 |
| Resultaat op kosten | 18 | 0 |
| Resultaat op uitkeringen | -6 | -12 |
| Resultaat op kanssystemen | 497 | 242 |
| Resultaat op toeslagverlening | -10.386 | -586 |
| Resultaat op overige (incidentele) mutaties technische voorzieningen | -1.516 | -806 |
| Resultaat op andere oorzaken | -317 | -8 |
| Totaal saldo van baten en lasten | -14.170 | 23.294 |
Toelichting actuarieel resultaat
In 2022 zijn de volgende belangrijke effecten in het actuarieel resultaat te onderscheiden. Genoemde bedragen zijn vermeld in € 1.000, tenzij anders is aangegeven.
Beleggingen
Onder beleggingsrendementen worden verstaan:
- alle directe en indirecte beleggingsopbrengsten inclusief kosten van het vermogensbeheer;
- de benodigde intresttoevoeging aan de technische voorzieningen. Deze wordt vastgesteld aan de hand van de eerstejaars ‘spot rate’ uit de door DNB gepubliceerde RTS per jaar aan de start van de analyseperiode.
Het resultaat op beleggingen in het boekjaar bedraagt -66.655. Voor een gedetailleerde onderbouwing van dit resultaat is uitgebreid ingegaan in het hoofdstuk ‘Vermogensbeheer’. Het resultaat op de beleggingen draagt in 2022 negatief bij aan de dekkingsgraad.
Wijziging rentetermijnstructuur (RTS)
De RTS ultimo 2022 ligt gemiddeld genomen boven de RTS ultimo 2021. Wanneer beide curves worden uitgedrukt in één gemiddeld rentepercentage is de rente in 2022 met circa 1,96%-punt gestegen. Dit heeft geleid tot een afname van de technische voorzieningen en dus tot een positief resultaat. Het resultaat hiervan bedraagt 65.389.
Daarnaast heeft DNB in 2020 besloten om de nieuwe UFR-methode gefaseerd in te voeren. De invoering van de tweede stap heeft per 1 januari 2022 plaatsgevonden. Hiervan is het resultaat -194. Het totale resultaat van de wijziging van de rente bedraagt 65.195.
Premie
In 2022 is de opbouw van pensioenverplichtingen gefinancierd op basis van een doorsneepremie van 18,2% van de totale pensioengevende salarissen. Deze premie ligt onder het niveau van de kostendekkende premie (zie ook “Kostendekkende premie“). Het resultaat op de premie bedraagt -932.
Kanssystemen
Aan het vaststellen van de technische voorzieningen liggen kanssystemen ten grondslag. De belangrijkste zijn sterfte en arbeidsongeschiktheid. Het resultaat op kanssystemen bedraagt 547.
Toeslagverlening
In 2022 is de toeslag vanuit het indexatiedepot voor actieve deelnemers van 1,45% per 31 december 2021 verwerkt. Daarnaast is ultimo 2022 aan alle deelnemers een toeslag van 5,54% verleend. Voor actieve deelnemers is ultimo 2022 vanuit het indexatiedepot een extra toeslag van 0,26% verleend. Dit leidt in het boekjaar tot een resultaat op toeslagverlening van -10.386.
Overige (incidentele) mutaties technische voorzieningen
Het resultaat op overige (incidentele) mutaties technische voorzieningen bedraagt -1.562. Dit resultaat wordt onder andere veroorzaakt door de overgang naar de Prognosetafel AG2022 (-1.113), de actualisatie van de ervaringssterfte (-1.566), de wijziging van de AOW datum voor arbeidsongeschikten (-50) en de kostenvoorziening (1.166).
Kostendekkende premie
De kostendekkende premie bestaat uit een actuarieel benodigde premie voor de pensioenopbouw, de risicodekkingen voor overlijden en arbeidsongeschiktheid en de opslag voor uitvoeringskosten.
In de volgende tabel is een overzicht met de premies opgenomen. De kostendekkende premie is berekend op basis van de rentetermijnstructuur. De gedempte premie is gebaseerd op de rendementscurve die is vastgesteld met het verwacht rendement op basis van het strategisch beleggingsbeleid en daarna gecorrigeerd is voor inflatie. Deze curve geldt voor de periode 1 januari 2020 tot 1 januari 2025. De solvabiliteitsopslag is gelijk aan het vereist vermogen gebaseerd op het strategische beleggingsbeleid. Als peildatum voor het vereist vermogen geldt het jaareinde van het jaar voorafgaand aan het gerapporteerde verslagjaar.
| Premie voor risico Pensioenkring | ||||
|---|---|---|---|---|
| (bedragen x € 1.000) | Premie RTS |
Premie gedempt |
Premie feitelijk |
|
| Actuarieel benodigde premie voor inkoop onvoorwaardelijke onderdelen van de regeling |
regulier | 5.648 | 2.742 | 4.511 |
| risicopremie overlijden |
544 | 544 | 544 | |
| Opslag voor toekomstige uitvoeringskosten | 164 | 80 | 150 | |
| De risicopremie voor WIA-excedent en premievrijstelling bij invaliditeit | 201 | 201 | 201 | |
| De risicopremie anw aanvulling | 0 | 0 | 0 | |
| Solvabiliteitsopslag | 808 | 392 | 645 | |
| Actuarieel benodigde premie voor inkoop voorwaardelijke onderdelen van de regeling |
0 | 1.778 | 0 | |
| Toetswaarde premie | 7.364 | 5.736 | 6.050 | |
| Overige premie | ||||
| Toevoeging aan indexatiedepot (incl. afrekening) | 0 | 0 | 0 | |
| Directe uitvoeringskosten | 289 | 289 | 289 | |
| Opslag weerstandsvermogen | 0 | 0 | 0 | |
| Totaal | 7.652 | 6.025 | 6.339 |
De Pensioenkring voldoet aan de eis dat de feitelijke premie minimaal gelijk moet zijn aan de gedempte premie.
Vereist vermogen
Het vereist vermogen is gebaseerd op de strategische portefeuilles en is vastgesteld op 114,8%. Indien het vereist vermogen bepaald zou zijn op basis van de actuele portefeuille is deze ook 114,8%.
2.8 Risicoparagraaf
Bij het bepalen van het beleid en het nemen van belangrijke besluiten maakt het Bestuur een afweging tussen risico, rendement en beheersing van de risico’s. Daarbij heeft het Bestuur bovendien grenzen (risicobereidheid) gedefinieerd aan de omvang van de risico’s. Het beleid is vastgelegd in de ABTN van de Pensioenkring. In 2022 zijn geen wijzigingen aangebracht in de risicobereidheid van de Pensioenkring.
Integraal Risicomanagement
In het hoofdstuk Integraal Risicomanagement van Stap is de beschrijving van het Integraal Risicomanagement op instellingsniveau opgenomen. Deze beschrijving is van toepassing op alle Pensioenkringen.
Doelstellingen en risicobereidheid
Op het niveau van de Pensioenkringen zijn specifieke doelstellingen voor de Pensioenkringen bepaald. Hierbij is een verdeling gemaakt naar financiële en niet-financiële doelstellingen. Om deze doelstellingen te behalen is per Pensioenkring de risicobereidheid bepaald. In onderstaande tabel wordt de risicobereidheid voor de doelstellingen op het niveau van de Pensioenkring weergegeven. Voor de risicobereidheid bij de doelstellingen op het niveau van Stap wordt verwezen naar het hoofdstuk Integraal Risicomanagement.
| Doelstelling niveau Pensioenkring | Risicobereidheid Pensioenkring Eastman |
|---|---|
| Financiële doelstellingen | |
| Verantwoorde pensioenopbouw binnen de Pensioenkring. | De minimale premiedekkingsgraad van Pensioenkring Eastman voldoet aan de afspraken die zijn gemaakt met de sociale partners (opdrachtaanvaarding). |
| Behoud nominale aanspraken binnen de Pensioenkring. | Risicobereidheid korte termijn: De risicobereidheid op korte termijn wordt uitgedrukt in termen van het vereist eigen vermogen (VEV). Deze is gelijk aan 14% met een bandbreedte tussen 10% en 18%. Het VEV wordt hierbij berekend op de door DNB voorgeschreven methode. |
| Streven naar waardevast houden van pensioenrechten. Specifiek voor Pensioenkring Eastman is dit vertaald naar: een voorwaardelijke toeslagambitie van 75% van de afgeleide consumentenprijsindex (CPI alle huishoudens afgeleid) |
Risicobereidheid korte termijn: Risicobereidheid op korte termijn wordt uitgedrukt in termen van VEV. Deze is gelijk aan 14% met een bandbreedte tussen 10% en 18%. Het VEV wordt hierbij berekend op de door DNB voorgeschreven methode. Risicobereidheid lange termijn: Passend binnen de gestelde grenzen uit de “aanvangs”- haalbaarheidstoets. Gebaseerd op de voorgeschreven uitgangspunten en parameters van de haalbaarheidstoets (hierna: “HBT”) is een drietal beleidskaders geformuleerd: • Vanuit de financiële positie waarbij aan het VEV wordt voldaan, is de ondergrens op fondsniveau van het verwacht pensioenresultaat 90% voor de mediaan uit de HBT. • Vanuit de actuele financiële positie aan het einde van een boekjaar, is de ondergrens op fondsniveau van het verwacht pensioenresultaat 91% voor de mediaan uit de HBT op actuele financiële positie; • Vanuit de actuele financiële positie is de afwijking voor het 5% worst case scenario maximaal 29%. |
| Doelstelling niveau Pensioenkring | Risicobereidheid Pensioenkring Eastman |
|---|---|
| Niet-financiële doelstellingen | |
| Adequate communicatie. Specifiek voor Pensioenkring Eastman is dit vertaald naar: 1. Een proactieve en inzichtelijke deelnemerscommunicatie zodat deelnemers bewust zijn van hun pensioeninkomen en in staat zijn naar eigen inzicht keuzes te maken over hun pensioen. 2. Kennis en inzicht verschaffen aan de werkgever voor een passende arbeidsvoorwaarde pensioen. |
De risicobereidheid is risicoavers. Uitgangspunt is dat alle deelnemers en werkgever juist, volledig en tijdig geïnformeerd worden. |
Financieel crisisplan
Voor de Pensioenkring is een financieel crisisplan opgesteld. In dit financieel crisisplan zijn maatregelen beschreven die het Bestuur kan inzetten wanneer op korte termijn de financiële positie van de Pensioenkring zich bevindt op of snel beweegt richting kritische waarden, waardoor het realiseren van de doelstellingen van de Pensioenkring in gevaar komt. Het financieel crisisplan vormt hiermee een handleiding voor het Bestuur voor de wijze waarop het zal handelen. Het financieel crisisplan is onderdeel van de ABTN en wordt jaarlijks getoetst en waar nodig aangepast aan de actualiteit.
Risico-inschatting en -beheersing
Zoals in het hoofdstuk Integraal Risicomanagement is benoemd identificeert en beoordeelt het Bestuur van Stap de risico's van Stap en de Pensioenkringen op een gestructureerde wijze met een RSA. De geïdentificeerde risico's worden door het Bestuur kwalitatief beoordeeld voor de kans dat deze risico’s zich manifesteren, alsmede voor de impact die deze risico’s hebben op het behalen van de doelstellingen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar het bruto risico, het netto risico en de risico reactie. Zo wordt er inzicht verkregen in de risico's die Stap loopt, welke beheersmaatregelen zijn genomen en de effectiviteit daarvan, evenals in de beheersmaatregelen die nog genomen moeten worden of gewenst zijn.
Voor boekjaar 2022 heeft de RSA begin 2022 plaatsgevonden op het niveau van Stap en op het niveau van de Pensioenkringen. De RSA betreft alle risico´s die Stap onderscheidt. Daaronder zijn de Systematische Integriteitrisicoanalyse (SIRA) en het risico self assessment voor ICT (RSA ICT) als bijzondere aandachtsgebieden begrepen.
Risico's met mogelijke impact op financiële positie Pensioenkring
Elke Pensioenkring heeft te maken met financiële risico’s om haar doelstellingen behalen. Het Bestuur is van mening dat door het inzetten van effectieve beheersmaatregelen de impact op een ongunstige gebeurtenis wordt verkleind. Hieronder wordt voor de belangrijkste financiële risico’s toegelicht wat de impact van deze mogelijk ongunstige gebeurtenissen is op de financiële positie van de Pensioenkring.
Solvabiliteitsrisico
Het belangrijkste risico van de Pensioenkring is het solvabiliteitsrisico. Dit is het risico dat de Pensioenkring op lange termijn de pensioenverplichtingen niet kan nakomen. Om het solvabiliteitsrisico te beheersen dient de Pensioenkring over voldoende buffers in het vermogen te beschikken. De vereiste buffers voor het vereist eigen vermogen worden vastgesteld met de door DNB voorgeschreven solvabiliteitstoets. Ook wordt door middel van een ALM-studie inzicht verkregen in de toekomstige ontwikkeling van de solvabiliteit. In een ALM-studie wordt namelijk het premiebeleid, het toeslagbeleid en het beleggingsbeleid integraal getoetst.
Matchings-/Renterisico
De Pensioenkring loopt renterisico over de verplichtingen, omdat de verplichtingen in waarde veranderen als gevolg van mutaties in de marktrente. Om het renterisico af te dekken maakt de Pensioenkring gebruik van vastrentende waarden en renteswaps. Wanneer de rente daalt, zullen de verplichtingen toenemen, maar daar staat een waardestijging van de afdekkingsportefeuille tegenover. Hiermee wordt het renterisico dat de Pensioenkring loopt (deels) afgedekt. Het percentage van het renterisico van de verplichtingen dat wordt afgedekt is afhankelijk van het renteniveau. Via een rentestaffel wordt bij lagere renteniveaus een lager percentage van het renterisico afgedekt en vice versa bij hogere renteniveaus. Rondom de strategische mate van afdekking van het renterisico wordt een bandbreedte van 3%-punt boven en onder dit gewicht gehanteerd. Binnen deze marges kan de mate van afdekking van het renterisico vrij bewegen zonder aanvullende maatregelen te nemen. Wanneer de mate van afdekking van het renterisico zich buiten deze marges bevindt vindt bijsturing plaats.
Naast het risico dat het algehele renteniveau daalt, bestaat ook het risico dat de beleggingen de waarde mutatie van de verplichtingen niet kunnen opvangen vanwege rentemutaties die per looptijd verschillend zijn (curverisico). Rentes met korte looptijden (0 tot 5 jaar) kunnen namelijk anders bewegen dan rentes met langere looptijden (bijvoorbeeld 30 jaar). Om dit risico te beheersen maakt de Pensioenkring gebruik van bandbreedtes per looptijdbucket. Per looptijdbucket wordt gemonitord of de afdekking van het renterisico zich binnen de vooraf gestelde bandbreedtes bevindt. Wanneer de gestelde bandbreedte wordt overschreden vindt bijsturing plaats.
De volgende figuur toont de gerealiseerde afdekking van het renterisico ten opzichte van de strategische afdekking van het renterisico en de ex-ante mate van afdekking van het renterisico, zoals op de laatste dag van de voorgaande maand is vastgesteld. Zichtbaar is dat gedurende 2022 zowel de benchmark voor de afdekking van het renterisico als de werkelijke afdekking van het renterisico zich dicht bij strategische mate van afdekking van het renterisico bevonden. Indien de benchmark voor de afdekking van het renterisico zich buiten de bandbreedte (+/- 3%-punt) bevindt, worden transacties uitgevoerd om de afdekking van het renterisico bij te sturen naar de strategische mate van de afdekking van het renterisico.
Toelichting grafiek:
- De blauwe balken tonen de ex-ante mate van afdekking van het renterisico (benchmark afdekking) zoals op maandeinde van de voorgaande maand is vastgesteld. In feite is dit de verwachte afdekking van het renterisico gedurende de daarop volgende maand. De benchmark afdekking van het renterisico wordt bepaald aan de hand van de actuele rentegevoeligheid van renteswaps en beleggingen die een onderdeel zijn van de matching portefeuille en de actuele rentegevoeligheid van de verplichtingen. Deze waarde is weergegeven in de horizontale as.
- De rode horizontale strepen tonen de strategisch gewenste mate van afdekking van het renterisico. De strategische mate van afdekking van het renterisico is afhankelijk van de huidige rentestand. Periodiek wordt gemonitord of de benchmark afdekking van het renterisico zich binnen de bandbreedtes rondom de strategische mate van afdekking van het renterisico bevindt.
- De gele balken tonen de waardeontwikkeling van de vastrentende waarden en renteswaps als gevolg van de rentemutatie (exclusief het spreadrendement).
- De afdekking van het renterisico wordt maandelijks berekend door de rentegevoeligheid van de beleggingen te delen door de rentegevoeligheid van de verplichtingen.
Gedurende 2022 heeft zich de volgende gebeurtenis voor dit risico voorgedaan:
- De marktrente is in 2022 gestegen. Als gevolg van het dynamische rente-afdekkingsbeleid is de afdekking van het renterisico verhoogd van 55% naar 77,5%.
Marktrisico
Marktrisico is het risico als gevolg van het blootstaan aan wijzigingen in marktprijzen van verhandelbare financiële instrumenten. Voor de Pensioenkring heeft dit risico betrekking op de portefeuille zakelijke waarden. Het risico van de vastrentende waarden valt onder het krediet- en renterisico. De portefeuille zakelijke waarden bestaat voornamelijk uit aandelenbeleggingen. Bij aandelenbeleggingen vinden de beleggingen wereldwijd plaats. Door de spreiding binnen de portefeuille (diversificatie) wordt het prijsrisico gedempt en dat is daarmee één van de belangrijkste mitigerende beheersmaatregelen.
Daarnaast is de periodieke ALM-studie een belangrijk beheersingsinstrument om vast te stellen of gekozen portefeuille met zakelijke waarden voldoet aan het gewenste risico versus rendementsafweging.
Scenario’s dekkingsgraad voor markt- en renterisico per eind 2022
De volgende tabel geeft de gevoeligheid van de dekkingsgraad (op basis van de rentetermijnstructuur inclusief UFR) weer voor het rente- en aandelenrisico waarbij beide risico’s zich gecombineerd voordoen. De actuele portefeuille geldt als uitgangspunt. Dat wil zeggen dat de actuele mate van afdekking van het renterisico wordt gehanteerd. Er wordt verondersteld dat beide risico’s zich manifesteren als een instantane schok, dus als een schok ineens zonder tussenstappen. De afdekking van het renterisico blijft dan ook in de gehele schok hetzelfde en wordt dus niet gedurende de schok aangepast conform de rentestaffel. Verder wordt verondersteld dat de andere beleggingen onveranderd blijven. De aandelenkoersen variëren hierbij tussen de -20% en +20%. De rente varieert tussen -1,5% en +1,5% ten opzichte van het renteniveau op het einde van de maand.
| Rente | -1,5% | -1,0% | -0,5% | 0,0% | 0,5% | 1,0% | 1,5% |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Aandelen | |||||||
| 20% | 113,7 | 116,2 | 118,9 | 121,8 | 125,0 | 128,3 | 131,9 |
| 10% | 111,1 | 113,3 | 115,8 | 118,4 | 121,3 | 124,3 | 127,6 |
| 0% | 108,5 | 110,4 | 112,6 | 115,0 | 117,6 | 120,3 | 123,2 |
| -10% | 105,8 | 107,6 | 109,5 | 111,6 | 113,9 | 116,3 | 118,9 |
| -20% | 103,2 | 104,7 | 106,3 | 108,2 | 110,1 | 112,3 | 114,5 |
Gedurende 2022 hebben zich de volgende gebeurtenissen voor dit risico voorgedaan:
- Naast het renterisico vormde het zakelijke waarden risico in 2022 het grootste risico voor de Pensioenkring. Een schok (volgens de in de standaardtoets van DNB gedefinieerde negatieve gebeurtenis), die zich met een kans van 2,5% geïsoleerd kan voordoen, leidt tot een significant effect op de dekkingsgraad op basis van de UFR. Van de geïsoleerde schokken vormt het zakelijke waarden risico het grootste risico voor de dekkingsgraad.
- Afgelopen jaar eindigden de aandelenmarkten op een verlies. Aandelenkoersen in ontwikkelde markten daalden met circa 13% (gemeten in lokale valuta). Het jaar 2022 stond in het teken van een negatief sentiment als gevolg van de oorlog in Oekraïne en de opgelopen inflatie. De centrale banken verhoogden in 2022 de rente om de inflatie omlaag te brengen. Het verkrappende beleid van de centrale banken resulteerde in een ongunstig klimaat voor zakelijke waarden categorieën en dat leverde een negatieve bijdrage aan de dekkingsgraadontwikkeling. De flink gestegen rente had uiteindelijk een positief effect op de dekkingsgraad.
Valutarisico - geen overlay
De verplichtingen van de Pensioenkring luiden in euro’s. Binnen de beleggingsportefeuille wordt wereldwijd belegd. Hierdoor ontstaat valutarisico. Valutarisico is het risico dat de beleggingsportefeuille in waarde daalt als gevolg van het zwakker worden van vreemde valuta ten opzichte van de euro. Afhankelijk van de beleggingscategorie is de valuta van notering niet per definitie een goede indicatie voor het daadwerkelijke valutarisico. Voor obligaties geldt normaliter dat de valuta van notering een goede indicatie is van het daadwerkelijke valutarisico omdat de te verwachten kasstromen vaststaan in de valuta van notering. Dit pleit voor het afdekken van vreemde valuta voor obligaties. Binnen obligaties opkomende markten mag maximaal voor 20% in lokale valuta worden belegd. Beleggingen in lokale valuta worden voor de afdekking van het valutarisico beschouwd als USD beleggingen en worden dan ook conform het beleid voor de USD voor 100% afgedekt. Aandelen zijn aan meerdere directe en indirecte valutarisico’s onderhevig en de valuta van notering is steeds meer slechts een rapportagevaluta. Dit geldt vooral voor multinationals. Het internationale karakter van ondernemingsactiviteiten pleit voor het slechts deels afdekken van het valutarisico van aandelen. Daarom wordt binnen de categorie aandelen de exposure naar USD, GBP en JPY voor 50% afgedekt.
De Pensioenkring dekt valutarisico af door voor een deel te beleggen in beleggingsfondsen waarin het valutarisico wordt afgedekt. Op dit moment wordt geen gebruik gemaakt van een overlay. De Pensioenkring dekt het valutarisico binnen aandelen af via een combinatie van beleggingen in zowel afgedekte als niet-afgedekte beleggingsfondsen binnen aandelen ontwikkelde markten. De Pensioenkring streeft een afdekking van 50% na, waarbij de strategische bandbreedtes rondom deze subcategorieën ervoor zorgen dat de afdekking zich tussen 40%-60% begeeft. Voor de overige categorieën wordt belegd in fondsoplossingen waarbij in principe het gehele valutarisico wordt afgedekt.
Het afdekken van valutarisico brengt verschillende kosten met zich mee. Deze zijn grofweg in vier categorieën onder te verdelen:
- Het renteverschil tussen de twee valuta. Indien de risicovrije rente in vreemde valuta hoger is, worden de kosten voor het afdekken ook hoger;
- Een cross currency basisspread, die het gevolg is van liquiditeit en vraag/aanbod;
- Transactiekosten voor het afsluiten/tegensluiten van de benodigde derivaten;
- Operationele kosten voor het mogelijk maken en beheer van valutarisico-afdekking.
Een belangrijke kostencomponent in de afdekking van het valutarisico is het renteverschil tussen de rente in het land van de betreffende valuta en de rente in de Eurozone. Hoe groter dit verschil, hoe groter de kosten. Omdat de theorie die stelt dat de wisselkoers dit renteverschil goed zal maken in praktijk niet volledig opgaat, kan dit renteverschil als een verwachte kostenpost of opbrengst bestempeld worden.
Kredietrisico
Kredietrisico is het risico dat tegenpartijen van de Pensioenkring hun verplichtingen niet of niet volledig nakomen. De Pensioenkring loopt tegenpartijrisico op de tegenpartijen voor derivaten en heeft het tegenpartijrisico voor derivaten deels gemitigeerd door gebruik te maken van central clearing en uitwisselen van onderpand.
Daarnaast loopt de Pensioenkring kredietrisico op de beleggingen in vastrentende waarden. Door te beleggen in breed gespreide portefeuilles met bedrijfsobligaties, staatsobligaties opkomende markten en Nederlandse hypotheken wordt het specifieke risico van individuele debiteuren beheerst. De risico’s van deze categorieën voor de balans van de Pensioenkring zijn meegewogen in de ALM-studie. Ter compensatie van de exposure naar kredietrisico wordt naar verwachting een risicopremie verdiend.
Liquiditeitsrisico open Pensioenkring
Pensioenkringen kennen drie bronnen van liquiditeitsbehoefte: pensioenuitkeringen, onderpand voor derivaten en efficiënt portefeuillebeheer. Het primaire belang is om aan de financiële verplichtingen (pensioenuitkeringen en onderpand derivaten) te voldoen. De Pensioenkring is een open Pensioenkring met premie-inkomsten. Dit betekent dat de uitkeringen vanuit de premie-inkomsten en aanvullend vanuit de kasstromen van de vastrentende waarden en het belegd vermogen gefinancierd dienen te worden.
De beleggingsportefeuille van de Pensioenkring is voor het grootste deel belegd in liquide beleggingscategorieën, die snel verkocht kunnen worden. Daarnaast worden kasbuffers aangehouden voor de uitvoering van operationele activiteiten en het beheer van onderpand uit hoofde van het gebruik van derivaten. Eén keer per jaar, in het kader van de beleggingsplancyclus, wordt voor de Pensioenkring een liquiditeitstoets uitgevoerd. Binnen de liquiditeitstoets wordt gekeken in hoeverre de portefeuille past binnen de grenzen van het liquiditeitsbudget.
Verzekeringstechnisch risico
Het verzekeringstechnisch risico heeft betrekking op alle verzekeringstechnische grondslagen die voor de Pensioenkring een risico vormen. Het belangrijkste verzekeringstechnisch risico voor de Pensioenkring is het langlevenrisico. Dit betreft het risico dat deelnemers langer leven dan verondersteld bij de vaststelling van de technische voorzieningen. Bij de vaststelling van het verzekeringstechnisch risico als onderdeel van het vereist eigen vermogen wordt voor het sterfterisico onderscheid gemaakt tussen procesrisico, trendsterfteonzekerheid en negatieve stochastische afwijkingen.
ESG-risico
ESG-risico’s zijn risico’s die verband houden met milieu, sociale verhoudingen en ondernemingsbestuur. De risico’s vloeien voort uit de invloed die de activiteiten van een onderneming hebben op de omgeving (bijvoorbeeld land, water, lucht en ecosystemen), de maatschappij en de manier waarop ondernemingen beheerd zijn. Materialisatie van deze risico’s kan, naast reputatie schade, materiële invloed hebben op de waarde van een onderneming.
De mate waarin de Pensioenkring is blootgesteld aan de ESG-risico’s en de beheersing daarvan is afhankelijk van de samenstelling van de beleggingsportefeuille. In beginsel wordt een combinatie van meerdere instrumenten ingezet om deze risico’s te beperken, dan wel te mitigeren: stemmen, screening en dialoog, uitsluitingen en ESG-integratie. Het MVB-beleid van Stap bevat richtlijnen met betrekking tot ESG-risicobeheersing op portefeuilleniveau. Daarnaast is MVB een vast onderdeel van de investment cases, die gehanteerd worden voor het vaststellen van het strategisch beleid per beleggingscategorie.
Toelichting niet-financiële risico's
De niet financiële risico’s zijn voor Stap op instellingsniveau uitgewerkt in het hoofdstuk Integraal Risicomanagement. Op het niveau van de Pensioenkringen zijn de volgende belangrijkste niet-financiële risico´s onderkend.
Omgevingsrisico
De Pensioenkringen van Stap zijn, net als de hele pensioensector, onderhevig aan diverse ontwikkelingen, zoals de rente- en inflatieontwikkelingen, de volatiliteit op de financiële markten, de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel, de overgang naar een CO₂ neutrale samenleving en overige nieuwe (Europese) wet- en regelgeving. Als omgevingsrisico is dan ook het risico van het niet tijdig of adequaat inspelen op van buiten Stap komende veranderingen op het gebied van reputatie en ondernemingsklimaat geïdentificeerd.
Met de oprichting en inrichting van Stap is reeds beoogd in te spelen op (toekomstige) ontwikkelingen in de pensioensector. Door het, in afstemming met de strategische partners, voortdurend monitoren van de ontwikkelingen in de pensioensector en financiële markten en het hierop inspelen in de uitvoering van het beleid, acht Stap het netto risico voldoende beheerst. Het Bestuur zorgt daarbij voor een adequate en tijdige communicatie naar de deelnemers, Belanghebbendenorganen en andere stakeholders van Stap.
Uitbestedingsrisico
Onder het uitbestedingsrisico voor de Pensioenkringen verstaat Stap het risico dat de continuïteit, integriteit en/of kwaliteit van de aan derden uitbestede werkzaamheden of door derden ter beschikking gestelde apparatuur en personeel wordt geschaad.
Voor de beheersing van het uitbestedingsrisico heeft Stap onder andere de volgende beheersmaatregelen getroffen:
- Stap beschikt over marktconforme uitbestedingsovereenkomsten met al haar uitbestedingspartners, die voldoen aan de wettelijke regels op het gebied van uitbesteding.
- De afspraken omtrent de uitbestede werkzaamheden en informatieverschaffing zijn contractueel vastgelegd in een Service Level Agreement met bijbehorende kritische performance indicatoren.
- Stap ontvangt en beoordeelt periodieke rapportages van haar strategische uitbestedingspartners (maand-, kwartaal-, SLA- en risicorapportages), die in de bestuursadviescommissies en bestuursvergaderingen worden besproken.
- Stap vormt een oordeel over de kwaliteit van de interne beheersing bij de uitbestedingspartijen en over de maatregelen die de uitbestedingspartijen nemen om de kwaliteit te verbeteren op basis van extern gecertificeerde ISAE 3402-type II verklaringen en aanvullende assurance verklaringen.
- Stap voert periodiek strategisch overleg met de uitbestedingspartners en monitort, mede met het oog op de transitie naar de Wet toekomst pensioenen, het verandermanagement van de uitbestedingspartners.
IT-risico
De beschikbaarheid en beveiliging van IT-systemen wordt onderkend als een belangrijk risico. Door het niet beschikbaar zijn van (belangrijke) IT systemen en/of de IT omgeving bestaat het risico van operationele verstoringen. Daarnaast bestaat het risico bij niet adequate IT beveiliging, dat informatie toegankelijk wordt voor niet-geautoriseerde gebruikers en/of dat niet geautoriseerde gebruikers het functioneren van de IT systemen verhinderen of veranderen. Dit risico beperkt zich niet tot de IT-omgeving van Stap, maar omvat tevens de IT-omgeving van de uitbestedingspartners. De genoemde IT-risico’s kunnen daarom van invloed zijn op de dienstverlening aan de deelnemers.
Voor de beheersing van het IT-risico heeft Stap onder andere de volgende beheersmaatregelen getroffen:
- Het ICT-beleid, het Informatiebeveiligingsbeleid en het privacy beleid van Stap worden periodiek geëvalueerd en geactualiseerd en er worden maatregelen ter beheersing van het risico. Het ICT-beleid en het Informatiebeveiligingsbeleid is gerelateerd aan het Uitbestedingsbeleid en hierin zijn adviezen van de externe partij Quint verwerkt.
- Gedurende het jaar monitort Stap of de beheersing van het IT-risico bij de uitbestedingspartners overeenkomt met het beleid aan de hand van onder meer de SLA- en risicorapportages. Daarnaast rapporteren de uitbestedingspartners over de voor het IT-risico getroffen maatregelen en de interne beheersing via de ISAE 3402 type II rapportages.
- Op basis van de ISAE 3402 type II rapportages en aanvullende assurance verklaringen vormt Stap zich een oordeel over de kwaliteit van de interne beheersing voor het IT-risico bij de uitbestedingspartners en over de maatregelen die de uitbestedingspartners nemen om de kwaliteit te verbeteren.
- Daarnaast wordt periodiek een RSA ICT uitgevoerd. Daarbij wordt onder andere gebruik gemaakt van het COBIT-raamwerk van de uitbestedingspartners en enkele belangrijke aandachtsgebieden betreffen cyberrisico’s en datakwaliteit. Medio 2022 is het self assessment informatiebeveiliging conform het Toetsingskader Informatiebeveiliging van DNB in samenwerking met de externe partij afgerond. Hierbij is vastgesteld dat de door Stap (13 beheersmaatregelen), TKP en Aegon AM getroffen beheersmaatregelen voldoen aan het gewenste volwassenheidsniveau van de 58 beheersmaatregelen uit het model van DNB.
Door de hoge mate van digitalisering van de bedrijfsvoering en de afhankelijkheid hiervan, onderkent Stap het toenemende risico op cyberaanvallen. De analyse van de verhoogde gevoeligheid voor cybercrime maakt deel uit van de RSA ICT en de SIRA. Om dit risico te mitigeren heeft Stap het ICT- en Informatiebeveiligings-beleid geïmplementeerd en maatregelen getroffen. Zo laat de uitvoeringsorganisatie periodiek penetratietesten uitvoeren en worden (mogelijke) beveiligingsproblemen direct opgevolgd. Zowel bij de uitbestedingspartners als bij Stap heeft dit in 2022 niet tot incidenten, gerichte aanvallen (zoals DDoS) of andere verstoringen van de dienstverlening geleid. Alle maatregelen in het kader van informatiebeveiliging zijn in werking en worden continu gemonitord. En met het oog op de thuiswerksituatie zijn er extra activiteiten op het gebied van bewustzijn uitgevoerd om medewerkers blijvend alert te houden.
In het kader van het nieuwe pensioenstelsel onderkent Stap het risico dat de IT-systemen hiervoor tijdig aangepast dienen te worden. TKP informeert Stap periodiek over de voortgang van de wijzigingen die doorgevoerd moeten worden in de (administratieve) systemen als gevolg van de Wet toekomst pensioenen en de herijking van haar veranderportfolio. Stap heeft binnen het programma “Pensioenakkoord binnen Stap” nadrukkelijk aandacht voor het TKP programma Wet toekomst pensioenen.
Juridisch risico
Stap opereert als financiële instelling in een omgeving die de sterk gereguleerd is en de komende jaren flink verandert. De pensioensector krijgt te maken met aangepaste wetgeving, zoals onder meer de Wet toekomst pensioenen. Daarnaast is sprake van toenemende vereisten op het gebied van maatschappelijk verantwoord beleggen. Tevens lanceert de Europese Commissie (EC) de komende jaren regelgeving om de digitale weerbaarheid te vergroten en om financieel-economische criminaliteit effectiever tegen te gaan.
Voor het vergroten van de digitale weerbaarheid van de sector heeft de Europese Commissie (EC) een voorstel voor een verordening uitgebracht: de Digital Operational Resilience Act (DORA). DORA stelt eisen aan financiële organisaties ten aanzien van IT-risicomanagement, IT-incidenten, het periodiek testen van de digitale weerbaarheid en de beheersing van risico’s bij uitbesteding aan (kritieke) derden. Daarbij wordt rekening gehouden met de grootte, het risicoprofiel en het systeembelang van de individuele organisaties. DORA wordt met ingang van januari 2025 ingevoerd en Stap bereid zich hier samen met de uitbestedingspartners op voor.
Ook werkt de EC aan een nieuw kader voor de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme. Het doel hiervan is een gelijker speelveld te creëren tussen EU-jurisdicties voor het toezicht, gericht op het voorkomen van financieel-economische criminaliteit. Om te zorgen dat dit kader beter werkt, wil de EU een specifieke antiwitwasautoriteit oprichten. Ondertussen zet Nederland in op meer mogelijkheden voor instellingen om onderling informatie uit te wisselen. Kennisdeling vergroot het zicht op financieel-economische criminaliteit.
Bovenstaande ontwikkelingen leiden tot een verhoogd risico dat Stap niet voldoet aan wet- en regelgeving. Ter beheersing van dit juridisch risico maakt Stap gebruik van de binnen het Bestuur, het Bestuursbureau en bij de uitbestedingspartners aanwezige (juridische) kennis en kunde. Tevens heeft Stap een externe Compliance Officer aangesteld die en wordt waar nodig juridische expertise ingehuurd.
Ontwikkelingen in 2023
Situatie Oekraïne en Rusland
De oorlog tussen Oekraïne en Rusland domineert sinds 24 februari 2022 de wereldpolitiek, de financiële markten en de olie-en energieprijzen. Pensioenkring Eastman verstrekt via Stap geen uitkeringen aan pensioengerechtigden uit Rusland, maar Pensioenkring Eastman heeft wel beleggingen in Rusland en Oekraïne, Echter, de blootstelling aan beleggingen in Rusland en Oekraïne is relatief beperkt, onder andere door het uitsluitingsbeleid waardoor er sinds 2019 niet belegd is in Russische staatsobligaties.
De Pensioenkring belegt zeer beperkt in aandelen en obligaties van Russische en Oekraïense bedrijven en belegt niet in aandelen of obligaties uit Wit Rusland. Als gevolg van de ingestelde sancties mag er niet worden gehandeld in bepaalde (Russische) bedrijven. Daarnaast ligt de handel van aandelen die genoteerd staan in Rusland momenteel stil, waardoor waarderingen onzeker zijn en het onzeker is of de aandelen verkocht kunnen worden. Voor de beleggingen via de AIM MM fondsen is besloten dat alle nieuwe investeringen in Russische en Wit-Russische aandelen en obligaties zijn stopgezet. Een indirect effect is de toegenomen onzekerheid op de financiële markten en een daarmee gepaard gaand negatief sentiment. Stap zal de ontwikkelingen nauwgezet blijven volgen.
Wet toekomst pensioenen (Wtp)
In 2020 is het project Pensioenakkoord binnen Stap gestart. In de oriëntatiefase (2020/2021) zijn er door Stap drie werkgroepen gevormd: techniek, governance en propositie. Door de werkgroep techniek zijn verkennende kwantitatieve analyses uitgevoerd. De onderwerpen invaren en transitie FTK zijn uitvoerig aan bod gekomen. De werkgroep governance heeft voor de verschillende Pensioenkringen een inventarisatie gemaakt van de rollen en verantwoordelijkheden bij een overgang naar het nieuwe stelsel. De werkgroep propositie heeft een analyse uitgevoerd ten aanzien van de proposities die Stap aan gaat bieden. In 2021 zijn de uitkomsten van oriëntatiefase gepresenteerd aan de Belanghebbendenorganen. In februari 2021 heeft Stap ook gereageerd op de internetconsultatie ‘Wet toekomst pensioenen’, gepubliceerd op 16 december 2020. Stap onderschrijft en ondersteunt de noodzaak van de voorgestelde herziening van de tweede pijler.
In de complexe overgang van het oude stelsel naar het nieuwe stelsel ziet Stap voor algemeen pensioenfondsen een belangrijke rol weggelegd. Algemeen pensioenfondsen kunnen oplossingen bieden in het nieuwe stelsel en daarnaast ook collectiviteiten vanuit het verleden borgen. De wetgeving is op 30 mei 2023 definitief geworden en Stap gaat door met de projectmatige voorbereiding voor de Wet toekomst pensioenen. De Wtp is een vast agendapunt geworden bij alle commissievergaderingen en hiermee onderdeel van de governance van Stap. Er is een coördinatieteam gevormd dat bestaat uit twee bestuursleden en de directie van het Bestuursbureau en dat onder andere zorgt voor volledige dekking qua onderwerpen via de commissies en het binnen de gestelde kaders prioriteren van onderwerpen en uitzetten van opdrachten. Tevens bewaakt het coördinatieteam de tijdlijnen, afhankelijkheden en volledigheid van uitwerking.
Stap en haar uitbestedingspartners zijn er klaar voor om de komende jaren de bestaande en toekomstige klanten te begeleiden in een zorgeloze transitie naar het nieuwe pensioenstelsel. Stap faciliteert zowel solidaire als flexibele pensioenregelingen, alsmede een combinatie van de contracten en mogelijkheden voor niet-actieve verzekerde regelingen. Ook blijft Stap het huidige FTK uitvoeren voor collectiviteiten die in het huidige pensioenstelsel blijven.
Gewijzigde UFR per 1 januari 2023
De Nederlandsche Bank (DNB) heeft eind 2022 aangegeven dat de nieuwe UFR-methode, zoals geadviseerd door de Commissie Parameters 2022, per 1 januari 2023 wordt ingevoerd. Het advies van de Commissie is om de door DNB gepubliceerde rentetermijnstructuur dichter aan te laten sluiten bij de marktrente. Onder andere het startpunt voor het extrapoleren verschuift van 30 naar 50 jaar. Deze wijziging wordt in boekjaar 2023 verantwoord. Voor de Pensioenkring is de impact van de invoering van de nieuwe UFR-methode een minimale verlaging van de dekkingsgraad per 1 januari 2023.
2.9 Verslag van het Belanghebbendenorgaan van Pensioenkring Eastman
Belanghebbendenorgaan Pensioenkring Eastman
Het Belanghebbendenorgaan van Pensioenkring Eastman is per 1 oktober 2016 ingesteld. Dat is de datum waarop Pensioenkring Eastman van start is gegaan.
Benoeming leden Belanghebbendenorgaan Pensioenkring Eastman
Het Belanghebbendenorgaan bestaat uit vier leden en de leden vertegenwoordigen de geledingen van de werkgever, (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden. De samenstelling van het Belanghebbendenorgaan is per de datum van publicatie van het jaarverslag 2022 als volgt:
- Harold de Kruijf (voorzitter) - namens de werkgever
- Lucy van der Wolf - namens de werkgever
- Remy Franquinet – namens de pensioengerechtigden
- Adriaan Paré – namens de deelnemers
De heer Paré is in februari 2023 toegetreden als lid namens de deelnemers. In het jaar 2022 was de heer Paré toehoorder bij het Belanghebbendenorgaan.
Taken en bevoegdheden
De taken en bevoegdheden van het Belanghebbendenorgaan worden bepaald door het wettelijke kader, de Code Pensioenfondsen, de statuten en de reglementen van Stap.
Vergaderingen van het Belanghebbendenorgaan in 2022
Het Belanghebbendenorgaan heeft in 2022 twee vergaderingen gehad met het Bestuur. De eerste vergadering met het Bestuur vond plaats in mei. Deze vergadering stond in het teken van het deel-jaarverslag 2021 met de financiële opstelling van Pensioenkring Eastman. De tweede vergadering vond plaats in november. In deze vergadering zijn onderwerpen zoals het beleggingsplan 2023, de pensioenopbouw en premie voor 2023, het pensioenreglement 2023, de toeslagverlening, het communicatiejaarplan en het jaarplan 2023 van de Pensioenkring behandeld.
Het Belanghebbendenorgaan heeft in 2022 vijf eigen vergaderingen gehad. Bij deze vergaderingen is een delegatie van het Bestuursbureau aanwezig geweest. In deze vergaderingen zijn de onderwerpen behandeld die in de vergaderingen met het Bestuur op de agenda stonden. Verder zijn onder meer de volgende onderwerpen behandeld:
- Wet toekomst pensioenen (Wtp);
- risicobereidheidsonderzoek;
- ALM-studie;
- de haalbaarheidstoets;
- ervaringssterfte;
- beleggingsplan 2023;
- de rapportages van de Pensioenkring Eastman.
Informatie-uitwisseling
Het Belanghebbendenorgaan ontvangt periodiek informatie en rapportages over de Pensioenkring van het Bestuursbureau. Daarnaast heeft ieder lid van het Belanghebbendenorgaan een abonnement op SPO Perform.
Tevens hebben enkele leden van het Belanghebbendenorgaan in 2022 ook de twee themadagen van Stap bezocht.
Verslag over 2022
Het Belanghebbendenorgaan heeft in 2022 goedkeuring verleend aan:
- het beleggingsplan 2023;
- bevriezing van het niveau van de afdekking van het renterisico op 70%;
- het jaarplan 2023 van de Pensioenkring;
- selectie externe partij en opzet zelfevaluatie van het Belanghebbendenorgaan;
- selectie externe partij en opzet onderzoek risicobereidheid van de deelnemers;
- toepassing van het alternatieve ingroeipad voor de prijsinflatie ten behoeve van Toekomst Bestendig Indexeren.
Het Belanghebbendenorgaan heeft in 2022 advies gegeven over:
- het deel-jaarverslag 2021 met de financiële opstelling van de Pensioenkring over 2021;
- het pensioenreglement 2023 van de Pensioenkring;
- het communicatiejaarplan 2023 van de Pensioenkring;
- de ABTN 2022 van de Pensioenkring;
- de ALM van de Pensioenkring.
In de eigen vergaderingen van het Belanghebbendenorgaan zijn verder onder meer de maand- en kwartaalrapportages en de risicomanagementrapportages van de Pensioenkring behandeld. Het Belanghebbendenorgaan heeft in de eigen vergaderingen verdiepende vragen gesteld naar aanleiding van deze rapportages. Deze zijn door het Bestuursbureau beantwoord.
Zelfevaluatie
Het Belanghebbendenorgaan heeft in maart 2022 onder begeleiding van een externe partij een zelfevaluatie over 2021 uitgevoerd en vastgesteld.
Een uitkomst van de evaluatie was dat het Belanghebbendenorgaan tevreden is over de onderlinge samenwerking en het consciëntieus oppakken van zaken.
Tevens is onder meer in kaart gebracht in welke aandachtsgebieden de behoefte aan kennisverdieping ligt bij de leden, zoals onder andere voor de Wtp. Daarnaast wil het Belanghebbendenorgaan onderzoeken of een mogelijke ‘accentverdeling’ binnen de verantwoordelijkheden van het Belanghebbendenorgaan zinvol is. Ook was er een verzoek aan aan de RvT en het Bestuur om een voorstel dat leidt tot meer openheid vanuit de RvT naar het Belanghebbendenorgaan.
Bevindingen
Deze verklaring heeft betrekking op het verslagjaar 2022. Het Belanghebbendenorgaan heeft de volgende bevindingen.
Financieel
Het verloop van de dekkingsgraad werd in 2022 bepaald door drie factoren met elk afzonderlijk een bijzonder groot effect. Enerzijds is de rente sterk gestegen, anderzijds was het beleggingsrendement over alle beleggingscategorieën flink negatief. Per saldo was het effect van de rente en het beleggingsrendement op de dekkingsgraad positief. Door de toeslagverlening van 5,54% per eind december is 2022 uiteindelijk toch afgesloten met een lagere actuele dekkingsgraad dan het aan het begin van het jaar.
Per saldo is de dekkingsgraad gedurende 2022 gedaald van 118,7% ultimo 2021 naar 115,0% op 31 december 2022. Zowel de beleggingsresultaten als de rente hadden een groot effect. Het beleggingsrendement kwam over 2022 uit op -29,3%. De rekenrente steeg in diezelfde periode van 0,58% naar 2,54%, zodat de daardoor veroorzaakte daling van de benodigde technische voorzieningen het beleggingseffect overtrof. De beleidsdekkingsgraad toonde over het gehele jaar een stijging van 114,2% naar 119,1%.
Toeslagverlening
De financiële situatie van de Pensioenkring was per 30 september 2022 goed genoeg voor een gedeeltelijke toeslag. De pensioenen werden op 31 december 2022 verhoogd met 5,54%.
Voor de actieve deelnemers is er nog een aanvullende toeslag vanuit het toeslagdepot verleend. Deze aanvullende toeslag bedroeg 0,26%. Het toeslagdepot is hierna leeg. Voor de komende jaren wordt een beperkte premiemarge verwacht die in het toeslagdepot gestort wordt. Dit heeft gevolgen voor de hoogte van de aanvullende toeslag voor de actieve deelnemers.
Beleggingen
Het totale beleggingsrendement in 2022 bedroeg -29,3%. Vanwege de oplopende rente en de hoge inflatie zijn zowel vastrentende waarden als zakelijke waarden in waarde gedaald. In november is het beleggingsbeleid geëvalueerd. Het rendement komt daar lager uit dan in 2021 (5,2%). De gestegen rente had een negatief effect op het behaalde rendement van de Pensioenkring. De afdekking van het renterisico leidde tot een negatief effect op het rendement van -13,5%. Zonder de afdekking van het renterisico bedroeg het rendement -15,8%. Dit was hoger dan de benchmark (-16,1%).
Begin 2023 is de beleggingscategorie bedrijfsobligaties aangepast. Er is op het gebied van Maatschappelijk Verantwoord Beleggen een vervolgstap gemaakt waarbij de van Euro Bedrijfsobligaties is omgezet naar deels een actief mandaat en deels naar Green Bonds. Daarnaast is het dynamische rentebeleid vervangen door een vaste afdekking van het renterisico van 77,5% (neutrale niveau).
Het Belanghebbendenorgaan onderkent dat 2022 een slecht jaar is geweest voor de beleggingen. De naweeën van de corona pandemie en daaropvolgende onrust in de wereld door met name de oorlog tussen Rusland en Oekraïne zijn hier mede debet aan geweest. Het Belanghebbendenorgaan is van oordeel dat enerzijds gezien de omstandigheden in de markt en anderzijds dat zonder de effecten van de afdekking van het renterisico het rendement hoger is dan de benchmark, het beleggingsrendement in 2022 geoptimaliseerd is.
Verslaglegging en verantwoording
Het Belanghebbendenorgaan is van mening dat de verslaglegging en het afleggen van verantwoording goed en professioneel geregeld zijn. De maandelijkse verslaglegging en de kwartaalrapportages stellen het Belanghebbendenorgaan voldoende in staat het Bestuur en de uitvoerders te beoordelen.
Wet toekomst pensioenen
De verwachting is dat per 1 juli 2023 de Wet toekomst pensioenen van kracht wordt. Dit heeft tot gevolg dat de komende jaren een besluit moet worden genomen door de sociale partners over de toekomstige pensioenregeling. Daarnaast moet een besluit worden genomen over het wel of niet invaren van de opgebouwde pensioenen. Stap heeft in 2022 een risicobereidheidsonderzoek uitgevoerd onder de deelnemers en pensioengerechtigden van Pensioenkring Eastman. De uitkomsten geven inzicht in de huidige risicobereidheid van de deelnemers en pensioengerechtigden. De Wet toekomst pensioenen is een vast onderdeel van de overleggen met Stap en het Belanghebbendenorgaan vindt het belangrijk dat alle belanghebbenden goed zijn aangesloten op dit traject.
Het totale oordeel
Op grond van het voorgaande komt het Belanghebbendenorgaan tot het volgende totale oordeel.
Zoals ook in de voorgaande jaren heeft het Belanghebbendenorgaan de samenwerking met Stap, het Bestuur en het Bestuursbureau, als constructief en plezierig ervaren. Met name in gevallen waar al of niet ingrijpende veranderingen moesten worden beoordeeld en/of besloten, hebben interne experts het Belanghebbendenorgaan goed van aanvullende informatie voorzien en het Belanghebbendenorgaan voorgelicht. Binnen het Belanghebbendenorgaan is de samenwerking constructief en in goede harmonie verlopen.
Tot slot nog het volgende. De geopolitieke spanningen zijn in 2022 alleen maar toegenomen. De gestegen prijzen en gedaalde financiële markten hebben voor veel onrust en onzekerheid gezorgd. Desondanks heeft de dekkingsgraad van Pensioenkring Eastman zich goed staande weten te houden.
Rotterdam, 10 mei 2023
Belanghebbendenorgaan Pensioenkring Eastman
Harold de Kruijf (voorzitter)
Lucy van der Wolf
Remy Franquinet
Adriaan Paré
Reactie Bestuur
Met waardering voor de betrokkenheid van de leden van het Belanghebbendenorgaan heeft het Bestuur kennis genomen van het verslag van het Belanghebbendenorgaan van Pensioenkring Eastman en het positieve oordeel over het in 2022 gevoerde beleid.
Het Bestuur bedankt het Belanghebbendenorgaan van Pensioenkring Eastman voor de verrichte werkzaamheden en kijkt er naar uit de constructieve samenwerking met het Belanghebbendenorgaan in de toekomst voort te zetten.